Jos en Clim zijn op reis in China in 1994. We hebben geboekt
bij een plaatselijke busonderneming in de zuidwestelijke provincie Yunnan. We
zijn op weg van de hoofdstad Kunming (met het Stenen Woud) naar het fraaie
plaatsje Dali aan het Erhai - meer. Om daar te komen moeten we enkele bergpassen
over. Er is slechts één doorgaande weg die vaak
geblokkeerd wordt door ongelukken of aardverschuivingen, wat uren oponthoud kan
opleveren. Maar deze keer was het iets anders waarmee we werden
geconfronteerd...
Clim: bonje met de chauffeur
Voor dag en dauw op, om half
zeven op het halfronde busstation van Kunming. In het gewoel wordt Jorrit's
rugzak gestolen, inclusief de videocamera. Clim maakt zich verdienstelijk en
staat boven op de bus de zware bagagestukken op te hijsen. Hij wordt door een
bazige Chinees afgesnauwd en gecommandeerd, wat hij niet pikt. Hij baart opzien
door op zijn beurt de blaaskaak uit te kafferen, want het blijkt de chauffeur te
zijn. Deze vraagt extra yuan voor tolgeld, dat scheelt volgens hem twee uur in
tijd. Iedereen betaalt. Na een saaie hoogvlakte belanden we in glooiende bergen.
Diep in de valleien glinsteren de rijstvelden (hier dus letterlijk
"rijstkommen"), boven de 3.000 meter wil alleen nog maar groente groeien. We
zitten hutje op mutje. Regelmatig moeten we omrijden of langs stenen en
rotsblokken laveren wegens aardverschuivingen. We passeren drie bergpassen.
Uitbraak van paniek: bijna-ramp
Tegen
de middag zijn de wegen veel smaller geworden. In een dorp in een dal
lopen we vast, een letterlijke opstopping vanwege wegwerkzaamheden.
Twintig meter voor ons staat een truck, waarvan plotseling de motor
vlamvat. Hee, leuke afwisseling vinden we, totdat iemand van ons
gezelschap merkt dat het gaat om een tankauto met benzine. Men voelt de
explosie al aankomen; in paniek vlucht iedereen de bus uit. De
westerlingen nemen de reguliere uitgang (proppen en dringen geblazen dus
met onze logge en grote lijven), terwijl de veel kleinere Chinezen zich
door de openstaande ramen in veiligheid brengen door de hellingen op te
vluchten.
Jos kan zijn
schoenen niet meer vinden en treuzelt zo lang dat hij als
laatste achterblijft, samen met een van plezier kraaiende
kleuter (die vindt dat tumult maar wat spannend), een op de
achterbank door zijn moeder verlaten krijsende zuigeling en
een mekkerende geit. Vooraan blijkt een kreupele man zich
onder een bank te hebben verscholen.
Het
inferno gaat echter niet door; een moedige Chinees weet met dekens en
jassen met gevaar voor eigen leven het vuur te blussen. De ramp wordt
afgewend. De spanning en angst ontladen zich in een pittige scheldpartij
tussen de autochtonen (de wegwerkers met hun teertonnen) en de raszuivere
Han - Chinezen (de chauffeurs).
(Zie foto hieronder)
Het wordt een soort
rituele dans van kemphanen. Om beurten stappen ze op elkaar af om elkaar
de grofste verwijten en beledigingen naar het hoofd te slingeren. (Meestal
gaan die over hun wederzijdse moeder...) Hoewel ze uiterst agressief
overkomen, raken ze elkaar met geen vinger aan. Wij westerlingen zijn
hevig geïnteresseerd en staan met de camera's in de aanslag, want als het
op matten aankomt willen we niets missen. De opgewonden Chinezen weten
zich echter te beheersen en zoeken hun veilige plekje bij de teerton of
achter het stuur weer op. Als de karavaan onverwacht toch verder kan,
loopt alles met een sisser af.
Stukje historie:
Bai-koninkrijk
Tot Dali volgt een
schitterend landschap dat wordt bewoond door het Bai-volk, een grote minderheid
van enkele miljoenen. In de middeleeuwen bestond er een machtig Bai
koninkrijk, dat echter in de dertiende eeuw werd weggevaagd door de Mongoolse
horden van de Kublai Khan, die op weg waren om in Burma de duizenden
Boeddhistische tempels van Pagan te vernietigen. Nooit heeft het zich daarvan
kunnen herstellen. Dali is de voormalige hoofdstad en de stad is dan ook ommuurd
en versterkt.
Hotel Number One
Om half acht 's avonds
komen we in Nieuw-Dali, de stad Xiguan, aan. We hebben geen minuut tijdwinst
geboekt en Clim eist dan ook op hoge toon zijn extra yuan van de
grootgebekte chauffeur terug. Hij vangt bot. Natuurlijk. We huren een busje
om in het oude stadje te komen. We worden in het beste hotel (Number One)
ingekwartierd. (Het enige andere goede hotel heet veelzeggend Number Two...)
We vinden een eigen eettentje, het Woodland Restaurant, waar we hoog
gewaardeerde gasten worden. De groep habitueert het Tibet Café, een
hippieachtig etablissement waar de backpackers samendrommen. Tot onze
verrassing ontpopt het stadje zich als zeer toeristisch met honderden
stalletjes, kraampjes en souvenir winkeltjes. We slaan lauw bier in. Morgen
slapen we uit.