|

DAG 1 (Namiddag / avond)
Daarna heb ik nog enkele uren de tijd om bij daglicht het historische centrum
te bekijken. Het is druk op straat, de vele NAF-ers (Noord-Afrikanen) vallen me
op. Ik heb bewondering voor de neo-klassieke Opéra (5), de Kamer van Koophandel
en de magnifieke Beurs (1). Dit beursgebouw lijkt van de buitenkant een groot
gebouw, maar is in werkelijkheid opgebouwd uit 24 kleine handelshuisjes rond een
binnenplaats. Ook de Grand Place met de godin (de Déesse uit 1845) op een zuil
mag er zijn. Opvallend zijn het Grand Garde - huis en het Theater. Aan het plein
ligt ook een megaboekhandel (met meer dan een miljoen titels, althans volgens de
reclameslogans) waar ik enkele reisgidsen koop. De gevel bestaat uit drie
historische panden die men intact heeft gelaten.
| KATHEDRAAL Ik beland bij de Kathedraal, de Catédral Notre Dame de Treille. Die ligt iets
hoger op de oorspronkelijke motte die de kern van de stad vormde. Hij is pas
anderhalve eeuw oud en nog steeds niet helemaal klaar, het interieur vind ik
niet bijzonder spectaculair (2). Ik rust uit op een winderig terrasje en bestel
er mijn eerste “petit café crème”, die kosten hier gemiddeld tussen de € 1,20 en
€ 1,50. Een grote kop koffie komt je op drie euro te staan. De koffie is wel
smakelijk en goed sterk, dat moet gezegd worden.
Ik slenter verder door de oude
stad met soms heel aardige herenhuizen (4) en patriciërpanden (6). Ik zie o.a.
het Hospice de Comtesse (3) in de Rue de la Monnaie, het moderne Palais de
Justice en het Muziektheater waar net conservatoriumstudenten aan het oefenen
zijn. In veel historische panden zitten exclusieve modezaakjes en andere
boetiekjes.
Terug bij het station bestudeer ik de treinenloop en de metroschema’s naar
omliggende steden. Bij een Maghrebijn (een NAF-er dus) koop ik een fles wodka
bij een ongesluierde Berberse uit het Algerijnse Kabilië en een liter jus d’
orange om een en ander mee aan te lengen.
Om acht uur ben ik terug op mijn
kleine hotelkamer. In de kamer is een badkamertje ingebouwd, samen met het brede
tweepersoonsbed heeft dit weinig bewegingsruimte tot gevolg. Er is wel goed
groot licht en een schrijftafel met een fel schijnende leeslamp. Hoewel ik op de
kamer mag roken, doe ik dat meestal bij het open raam dat op een brede
luchtschacht uitkijkt. Al met al ben ik dus toch wel tevreden. |
 |
Slide show van Lille / Rijsel
Lille / Rijsel
DAG 2 (Hele dag)
Mijn vaste ochtendroutine: half acht op en douchen. Rond acht uur ontbijten.
Negen uur de straat op. Het ontbijt is geen hoogvlieger, maar dat mag je ook
niet verwachten in een tweesterrenhotel. Er is stokbrood en er zijn croissants,
er staat marmelade en smeerkaas, op een schotel liggen wat plakjes kaas en
cervelaatworst. De koffie en de vruchtensappen zijn drinkbaar.
| Ik begin met mijn stadswandeling bij het moderne stadsdeel Euralille waar zich
behalve dure merkzaken een enorme Carrefour bevindt. (Zie fotobladen pagina 2)
Daar word ik door een bewaker (security guard) op de vingers getikt: ik mag er
niet fotograferen. Het hele winkelcentrum wordt gedomineerd door de kleur paars
(of is het soms lila?). De hele wijk hier is wel erg Europa-minded: de straten
zijn er genoemd naar Willy Brandt, Valladolid, Erfurt, Rotterdam, Leeds,
Cologne. Via een ommetje kom ik achter het nieuwe treinstation Gare Euralille
(alleen voor TGV’s) terecht, grotendeels een project van Remco Koolhaas. Ik vind
het niet zo bijzonder.
Vlakbij ligt de Cimétière Est, waar ik ook al niet mag
fotograferen, maar dat verbod lap ik aan mijn laars, daar zie ik het nut niet
van in (7). Er liggen enkele opmerkelijke graven van verzetshelden uit WO II. Ik
kom weer uit bij de Trains à Grande Vitesse, waar ik geniet van het prachtig
beschilderde trappenhuis naar de métro. Panorama’s uit de hele wereld zijn er op
een wandoppervlakte van 15 meter hoog aangebracht. Op het plein voor het station
staat een wanstaltige creatie van een Japanner, een metershoog, fel gekleurd en
kinderlijk vormgegeven bloemenplastiek.
Op een zijweg staat een rij
politiebusjes vol met tot de tanden bewapende ME’ers, klaar om in te grijpen. Ik
ben verbaasd: er is toch geen EC-voetbal in deze stad? Er blijkt echter een
demonstratie van ambtenaren van het openbare vervoer op til te staan, geen
hooligans dus. Ik hoor de toeters en zie hun banieren met de socialistische
kleur rood al als hun treinen uit heel Frankrijk aankomen. Wegwezen dus, van dit
soort massabewegingen moet ik niets hebben. |
 |
Via een verlaten loopbrug verlaat ik het Centre Commercial en de Avenue Le
Corbusier (toepasselijk met die moderne bouwwerken) en begeef ik me door een
nieuwe wijk met overheidsgebouwen en kantoorkolossen naar het zuiden. Bij de
bouw ervan is veel gebruik gemaakt van glas, marmer en staal, ideaal voor
reflectiefoto’s bij zonnig weer. De bouw ervan is toch waarschijnlijk een
haastklus geweest om in 2004 (toen was Lille Culturele hoofdstad van Europa,
samen met Genua) op tijd klaar te zijn. Bij sommige gebouwen waar men het
plaatselijke materiaal baksteen heeft gebruikt, mag je niet in de buurt komen,
tot een meter of tien eromheen is het afgezet wegens het gevaar van “chutes de
pierres”- vallend gesteente dus…. Tussen de gebouwen staan kunstwerken op
binnenpleintjes (36). Ik kom via het modernistische Forum uit bij de Zenith
Arena (een stadion) en het Grande Palais, een congrescentrum.
Ik laat futuristisch Lille achter me en loop de oude stad binnen. Eerst zie ik
de donjon Noble Tour genaamd (8), enig restant van de oude middeleeuwse
stadsmuur, nu met een herdenkingsmonument voor de gevallen verzetsstrijders van
de Résistance erbij. Dan enkele aardige universiteitsgebouwen, het Pavillon
Saveur (stukje kloosterhospitaal uit de 18de eeuw) en de kerk van Saint Sauveur.
Deze koepelkerk is opvallend licht en kan bogen op fraaie biechtstoelen (9) en
een prachtige houtgesneden preekstoel (10). Vlakbij ligt het enorme bakstenen
gebouw van het Hotel de Ville (11) met zijn Art Déco - toren, de 104 meter hoge,
superslanke Beffroi uit het begin van de 20e eeuw, nou ja, iets later: 1927. Ik
ga er naar binnen en rust even uit in de bedrijvige hal. Moderne
appartementflats liggen er rond omheen, met vijverpartijen waarin zich donkere
staketselsculpturen bevinden die een contrast met de eenvormige flatgalerijen
vormen. Toevallig ontdek ik via een doorkijkje ook het oude Hospice Gantoise
(12), een middeleeuws hospitaal uit 1462 en armenhuis dat met zijn okergele /
oranje murenopvallend gekleurd is. Je kunt het bezoeken, maar daarvoor vind ik
het weer te fraai, daar wil ik toch nog even van genieten nu het nog kan.
Slide show Euralille
Euralille
Tijd voor koffie op een zonnig terrasje tegenover de 32 meter hoge Triomfboog op
de Porte de Paris (13). De boog is in 1692 door de Zonnekoning gebouwd nadat hij
de stad in 1667 op de Spaanse Nederlanden had veroverd. Van toen af aan is de
stad Lille Frans gebleven, eerder was zij dus Spaans, Oostenrijks en vooral
Vlaams, waarvan de naam Rijsel nog een overblijfsel is. De stad is gesticht
onder de Latijnse naam Ad Insulam, die letterlijk "op het eiland" betekent. Dit
werd in de volksmond vertaald als Ter IJssel, Rijssel dus of L'île. Voort gaat
het, ik hup van het ene naar het ander architectonisch interessante gebouw,
onder andere de Mairie, de Hogeschool voor Laboratoriumtechniek (met
dichtgespijkerde ramen), de Anglicaanse kerk, het Museum voor Etnologie en
Archeologie, de universiteitsbibliotheek. Ik zoek en vind ook nog de Synagoge,
die evenwel dicht is. Dan ontwaar ik op de Place de la République twee
hoogtepunten: de Préfecture en het Musée des Beaux Arts. Dat laatste is gesloten
op dinsdag en dat is het vandaag. Ik zal het op een andere dag bezoeken. Tussen
de gebouwen in ligt een modern fontein met een vijver waarin een groepje jolige
jongeren net een bad neemt voor de “flics” hen eruit komen jagen.
Na een tweede kopje koffie in een stille brasserie loop ik in de richting van
een park met generaal Foch (opperbevelhebber in WO I) die hier een standbeeld
heeft (14). Bij de Quai de Vault is het heel rustig, een Arabische jongen staat
er te vissen. Heel vriendelijk maakt hij een praatje met me. Op het Place de
Nouveau Siècle ligt een menhir bij een lelijk, anoniem monument voor een lelijk
vergader- en muziekcentrum, een uit de kluiten gevallen wijkhuis in feite. Deze
concertzaal lijkt achteloos neergeplant tussen de eeuwenoude panden. Ik zoek
het hart van de stad weer op en word er direct weer omringd door de massa’s. Aan
de Place Rihour ligt het gotische Palais Rihour uit 1473 door Filips de Goede
(zie hiernaast). In de benedenverdieping is het Office de Tourisme gevestigd.
Daar schaf ik me een City Card à raison van € 45 aan, daarmee heb ik drie dagen
vrij reizen met trein, metro, bus in Lille en omgeving; bovendien geeft de kaart
me gratis toegang tot tal van musea en bezienswaardigheden.
Het is inmiddels vijf uur geworden en moeizaam strompelend door de drukke
winkelstraten met hier en daar een Jugendstil-pand (15 + 16)en mooie winkeltjes
(17) zoek ik mijn hotel op. Ik heb last van blaren onder mijn voeten. Onderweg
wip ik nog de grote kerk van St. Maurice binnen met zijn mooi portaal, enorme
pilaren, gotisch beeldhouwwerk en schitterende glas-in-loodramen (18).
Als ik ’s avonds op mijn kamer zit te lezen wordt er aan mijn kamerdeur
gemorreld. Ik haast me naar buiten en zie op de gang een sjofele jongeman
proberen of andere deuren misschien niet gesloten zijn. Ik bijt hem toe: “What
do you want?” Hij reageert in gebroken Engels: “I want you me one dollar!”, een
verzoek waarop ik uiteraard niet op inga. Als ik ’s morgens de receptie van dit
voorval op de hoogte stel, wordt er naar mijn smaak veel te laconiek op mijn
klacht gereageerd.


DAG 3 (Middag / avond)
Bij Gare Euralille stap ik uit om nog eens op mijn gemak de mooie
wandschilderingen te bekijken. Daarna ga ik verder tot de arbeiderswijk Wazemmes,
waar ik eerst tussen de spelende kindertjes verloren rondwandel en op een groot
zanderig plein op een bankje in de zon mijn strategie bepaal. Waar is hier wat
te zien? Ik kies de juiste richting en kom uit op een immens plein waaraan de
Jugendstil - Hallen (33) liggen, die overigens gesloten zijn. Verder ligt er nog
een kerk die volledig uit baksteen opgetrokken is. Volgens mij is hij niet meer
in gebruik, de bevolking hier is grotendeels allochtoon van samenstelling. Het
plein wordt omringd door winkeltjes en vooral etnische eettentjes, ik ontdek er
behalve vele couscousrestaurantjes ook enkele die Turkse kebab aanbieden. Na
koffie in een brasserie loop ik naar het volgende metrostation (34 + 35), waar
het volk een iets wittere en iets Fransere indruk wekt, maar dan wel van lager
allooi. Ik koop 10 pakjes speciale soep in een grote Carrefour Market: nee, gèèn
Marché, de Amerikaanse invloed strekt zich zelfs tot het land van Marianne uit.
Op de tv trouwens zijn de al of niet nagesynchroniseerde Amerikaanse series niet
weg te branden, ondanks acties van de overheid om zo veel mogelijk binnenlandse
producties (dat wil dus zeggen: Franstalige) op de buis te brengen.
Op een achterafpleintje verorber ik een sandwich paté, gewoon een dik belegd
stokbrood voor 2 euro. Voor me loopt een drugsverslaafde jongeman druk gebarend
en in zichzelf pratend dwang-matige rondjes te lopen; gelukkig valt hij me niet
lastig. Wel word ik regelmatig staande gehouden door jongelui (altijd jonge
kerels) die om reisgeld bedelen, overigens niet agressief overkomend. In het
centrum wordt gebedeld door zwaar vervuilde zwervers die opvallend vaak een
grote herders-hond als metgezel hebben. Die moet hun ’s nachts bewaken als ze in
portiekjes en op bankjes liggen te slapen. En, het kon niet uitblijven, de
kleurige zigeunerin met in haar armen een in doeken gehulde zuigeling die
daarmee bij het winkelend publiek medelijden tracht op te wekken en daaruit
volgende aalmoezen wil uitlokken.
| PALAIS DES
BEAUX ARTS Om half vier meld ik me bij het Palais des Beaux Arts (44), volgens de
reisgidsen na het Louvre in Parijs het belangrijkste kunstmuseum van Frankrijk.
Ik breng er anderhalf uur in door. Het museum telt drie verdiepingen en is min
of meer gespecialiseerd in beelden en schilder-werken (45). In het souterrain
staat een zaal vol miniaturen, maquettes (reliefs in het Frans) van 15
historische steden in België en Noord- Frankrijk, ik kan alleen Namur herkennen,
omdat ik daar pas geleden ben geweest. Maastricht is de enige Nederlandse
vestingstad. Hele galerijen met portretten sla ik over.
Van de bekendste
schilders (alles op de 1e etage) noem ik de volgende: de bekende Vlaamse, Franse
en Hollandse meesters als Lucas Cranach (46), Rubens, van Dyck, Ruysdael, van
Gogh en Monet. Verder DelaCroix, Goya, El Greco, Watteau en Tintoretto. De
galerijen met beeldhouwwerk uit verschil-lende epochen vind ik het interessants.
(47 + 48), er staat ook een Rodin. Het ruikt er in sommige zalen beslist
onaangenaam, ik bespeur een smerige urinegeur. (De volgende dag werd het museum
’s middags voortijdig gesloten, omdat de stank ondragelijk werd; oorzaak
onbekend. Dat las ik toevallig in een nieuwsblad.)
Na acht uur trek ik er op uit om nachtopnamen van de geïllumineerde gebouwen te
maken (31 + 32). De brasseriën en vooral de jongerenkroegen zijn allemaal
stampvol, de klanten staan met hun pilsjes (in deze streek drinkt men nauwelijks
wijn) buiten, vooral ook om er te kunnen roken. Maar ook omdat het voor het
eerst zo’n zachte, warme lenteavond is. Ik heb de hele dag op dichte schoenen
gelopen, nu heb ik vanwege de pijnlijke blaren sandalen aangetrokken. |
 |

Slide show Palais des Beaux Arts
Lille: Palais des Beaux Arts
DAG 4 (Namiddag)
In Lille bekijk ik het zuidoosten, stadsdelen bij de Porte de Lille, de haven
waar ik nog niet ben geweest. Er is echter niets bijzonders te zien, zodat ik
maar te voet weer het oude stadscentrum opzoek via de Citadelle. Deze
fortificatie uit de zeventiende eeuw, een creatie van Vauban, is nu niet meer
open, het loopt al tegen zessen. Bij de ingang ligt een kleinschalig pretpark
dat nog druk bezocht wordt. Ik dwaal verder door de oudere wijken. Ik wil mijn
gemartelde voeten wat rust geven in een brasserie, maar rond deze tijd zijn die
allemaal stampvol, binnen de Franse horeca is er van crisis geen sprake.
Uiteindelijk vind ik een café met designinrichting en jeugdig publiek achter de
Opéra. Ruim na negenen kom ik aan bij mijn hotel, waar ik onmiddellijk mijn
blaren ga doorprikken.



|