|
Het is vrijdag en ik heb grote problemen met het wisselen van geld. De banken
accepteren geen van allen Traveller's Cheques, zij eisen contant geld. Ik wind
me enigszins op ("En jullie willen volwaardig lid van de EG worden?"), maar kan
uiteindelijk terecht bij de Is - bank naast het Sirkeci - station. Ik maak een
ontspannen praatje in het Engels met de directeur, een gesoigneerde veertiger.
Hij verklaart zonder blikken of blozen dat zijn bank munt slaat uit de
onwetendheid (of onwelwillendheid) van andere banken. Zijn bank profiteert van
al die buitenlanders die hier hun geld komen wisselen. Duizenden keren per jaar
provisie opstrijken, daar varen wij wel bij, stelt hij eerlijk vast. Ik vind hem
op slag erg sympathiek en we keuvelen nog wat over de verloedering van
Amsterdam, waar hij ooit was geweest. “Teveel buitenlanders daar!” verzekert hij
me met een grijns en een knipoog.
Bij de haven koop ik voor f 2,50 handschoenen bij een ambulante handelaar.
Opnieuw ga ik naar Üsküddar. Op de boot sta ik bij de reling naast een perfect
uitziend Italiaans stelletje dat met volle teugen geniet van het schitterende
uitzicht, in de beslotenheid van hun hotelkamer zullen zij ongetwijfeld van
elkaar genieten. Jalousie komt bij me opzetten, want dat klassenvrouwtje doet
mijn eenzame hart onmiskenbaar sneller kloppen. Even verderop staat een boers
uitziende Chinees te kraaien van plezier. Alleen al van de skyline
schiet hij een fotorolletje vol.
Vandaag is het Beylerbey - paleis wel open. Ik ben de enige toerist en krijg een
privé-rondleiding van een jongeman die me in een mengelmoes van Turks en Engels
tekst en uitleg geeft. Het is een zomerpaleis, pronkvol en met een 18e-eeuws
interieur met veel antiek meubilair en vergulde wanden met schilderwerken. Het
meest indrukwekkende vind ik de enorme kristallen kroonluchters. Het paleisje,
het is niet echt groot, ligt nét naast de Bosporus - brug. Het heeft niet veel
gescheeld of de nietsontziende Turkse planologen hadden de brug domweg over het
paleis heengetrokken...
 |
 |
Vanuit Üsküddars centrum bij de haven begin ik een voettocht langs de kust. Al
gauw krijg ik gezelschap van een sloeberachtige schoenpoetser die in zijn dunne
colbertjasje rilt van de kou. Erdal, zo heet hij, doet zijn best niet al te
opdringerig te zijn en ik gun hem dan ook mijn klandizie. Hoewel ik de
afgesproken prijs betaal, bedelt hij natuurlijk om meer, maar ik blijf
onvermurwbaar. Geen nood, we blijven even goede vrienden en samen met mij
bezoekt hij een intiem aandoende medresse (historische koranschool) die fraai
aan de waterkant gelegen is. De oever wordt allengs steiler en ik probeer foto's
met volle zoom te maken van de skyline aan de overkant van het grijze water: de
Sultan Achmed - moskee en de Aya Sophia. Het weer is erg wisselvallig, nu eens
sneeuwt het hevig, dan weer schijnt er een waterig zonnetje. Ik bereik de haven
van Harem, waar ik in 1982 voor het eerst Aziatische bodem betrad. Hoog boven de
aanlegplaats ligt op een rots de schimmige Selim – kazerne die in de vorige eeuw
diende als hospitaal. Het is een van de lazaretten waar Florence Nightingale
haar naam als ziekenverzorgster onsterfelijk maakte. Ik hou me een uurtje in een
theehuis op, waar ik het zoveelste cryptogram te lijf ga.
|
 |
 |
De veerboot, in dit geval tevens een autoveer, is gratis. Midden op de Bosporus
floept opeens de zon achter de wolken te voorschijn en gutst het zonlicht
uitbundig op ons neer. Ik begin gehaast tegenlichtopnamen te maken. Ik ben
benieuwd naar de resultaten. Op de boot drink ik salep, een gloeiend hete, dikke
melkachtige drank, bestrooid met kaneel. Ik vind het lekker, bovendien brengt
het een mens in deze winterse omstandigheden weer op temperatuur. Vanuit Eminönü
ga ik rechtstreeks naar mijn hotelletje.
In de avonduren dool ik rond in een gedeelte van de stad waar ik nog niet ben
geweest. Alle winkeltjes zijn tot 11 uur geopend. Ik
eet in een pastahane een gebakje. Regelmatig loop ik een volkscafeetje of een
theehuis binnen. Er wordt hier geen enkele speciale aandacht aan me geschonken.
Als ik om elf uur de lobby van mijn hotel binnenstap, ligt er op de bank een
bejaarde man op apegapen. Hij ziet lijkbleek en kreunt zachtjes. Als
ondersteuning hebben hulpvaardige handen een opgerolde gebedsmat onder zijn
hoofd gelegd. Ik zie onmiddellijk dat hij het niet lang meer zal maken. Er
heerst een opgewonden sfeer. "Is het een Iraniër?", vraagt iemand. "Nee, een
Turk", is het antwoord, maar hoe hij in de lobby verzeild is geraakt en wat hij
daar e zoeken had schijnt niemand te weten. De receptionist sleept glazen water
met aspirines aan. Er verschijnen ineens twee gesluierde vrouwen ten tonele die
de verwarring verhogen en met hoge, kijvende stemmen de omstaande mannen
verjagen. Ze willen hun moslimplicht om zieken te troosten en te verzorgen
nakomen. Na een tijdje hou ik het voor gezien en ga ik naar boven, waar ik me
verdiep in de belevenissen van Owen Meany.
Als ik 's morgens bij de receptie mijn sleutel afgeef, hoor ik desgevraagd dat
de grijsaard het niet gehaald heeft. Allah is hem in het ziekenhuis komen halen.
Iemand heeft dus toch de tegenwoordigheid van geest gehad om een dokter te
waarschuwen, denk ik. Over zijn identiteit bestaat nog steeds geen zekerheid.

 |