|
Vertrek: zaterdag 21 februari
Gelukkig vertrekt de vlucht pas na de middag, zodat ik geen hele nacht op
Schiphol wakend hoef door te brengen. Dat is me al vijf keer eerder overkomen.
Na zo'n slapeloze nacht is de eerste vakantiedag (en soms ook de tweede) voor
een groot deel verpest door vermoeidheid en slaap. Ik kan dus gewoon om zeven
uur ' s ochtends opstaan en om half negen de trein nemen naar Amsterdam. De
vlucht vertrekt om kwart over één, maar heeft een half uur vertraging. Na
drieëneenhalf uur vliegen met Turkish Airlines kom ik tegen zes uur in Istanbul
aan. Er volgt een snelle afhandeling bij de douane, waarna ik onmiddellijk geld
wissel. Het is zaterdag en al laat, dus in de stad zijn geen banken open. Ik
krijg voor mijn $ 150 een heel pak geld. Vergeleken met het vorig jaar zijn de
prijzen er verdubbeld, de wisselkoers (Momenteel is 1$ = 225.000 Turkse lira's;
1 gulden = 110.000 TL) is evenredig toegenomen.
Als ik met mijn nieuwe reistas de aankomsthal uitloop, kan ik direct in de airport bus stappen die rechtstreeks naar de binnenstad rijdt. Daar stap ik een
halte vóór het centrale Taksim - plein uit in de Tepebasi - wijk (Lett.:
heuveltop). Hier verbleven Clim en ik in een goor hotel in 1983. Hotel is
inmiddels afgebrand) van het stadsdeel Beyoglu, dit is de op een na oudste wijk,
gelegen aan Gouden Hoorn, vroeger bewoond door handeldrijvende Genuezen. In het
eerste de beste straatje vind ik een driesterrenhotel. Het is hotel Libko,
gebouwd in een oud pand van na de eeuwwisseling. Na enig onderhandelen kom ik
met de receptionist uit op een bedrag van 25 dollar per nacht. De kamer is prima
in orde. Er staat een groot bed in en ze is voorzien met een minibar en een
televisie (met louter slechte Turkse zenders). Het beddengoed is gestreken en
gesteven, alle vier de lichtpunten in de kamer functioneren naar wens en op het
sanitair op de badkamer is niets aan te merken. Een goede deal dus.
 |
 |
Om acht uur ga ik de omgeving verkennen. Om de hoek ligt de meest modieuze
straat van modern Istanbul, de Istiqlal Caddesi (Straat van de Vrijheid; soort
Kalverstraat, voetgangersgebied, merkwinkels en bioscopen.) Het is voor de
Turken ook een vrije zaterdagavond, en dat is te merken! Een onafgebroken stroom
voetgangers dringt zich door de straat. Er wordt ook opvallend gesurveilleerd
door de politie. Ik krijg van het publiek de indruk dat het in goeden doen is:
weldoorvoed en modern gekleed. Natuurlijk zit ik hier wel in het hart van modern
Turkije; het zou een zaterdagavond waar dan ook in de EU kunnen zijn. Ettelijke
kilometers verderop, in de oude stad aan de overkant van de Gouden Hoorn en in
de gecekondu (Lett.: in één nacht gebouwd. Armenwijk bevolkt door arme
nieuwkomers van het Anatolische platteland), de sloppenwijken van deze enorme
stad zal het beeld ongetwijfeld armoediger en ellendiger zijn; meer Islamitisch
en Aziatisch ook.
| Deze gigantisch metropool op de grens van Azië en Europa is
inmiddels uitgegroeid tot een wriemelende mierenhoop van
mensenmassa's. Niemand weet hoeveel er nou precies zijn: de
schattingen lopen uiteen van 9 tot 12 miljoen. Het zijn niet alleen
etnische Turken die zich hier verdringen voor een baan en inkomen.
Veel vluchtelingen uit het Midden-Oosten, Iraniërs en gelukszoekers
uit de voormalige communistische staten hebben zich hier gevestigd.
Dit geeft de stad een aantrekkelijk internationaal allure. Samen met
Londen, Parijs en Moskou vormt Istanbul de Top Vier van Europa's
grote steden. Een vijfde van de Turkse bevolking woont hier aan de
oevers van de historische Bosporus. |
Acht jaar geleden was ik voor het laatst in de stad, sindsdien is de welvaart in
dit gedeelte enorm toegenomen. Zeker vergeleken met 1980, toen ik Istanbul
vanuit Roemenië voor het eerst bezocht tijdens een ééndaagse excursie. Ik wandel
op mijn gemak door de drukke avondmarkten. In de Çiçek
Pasage (en arcade met terrasjes voor eet- en drinkgelegenheden. Er is levende
muziek) hangt een gezellige sfeer. Vrouwen met hoofddoekjes zie ik hier niet. Slechts
hier en daar staat een bedelaar, vaak onopvallend in een duister hoekje. De
enige echt zichtbare sloebers zijn de zonder uitzondering jonge mannen die
gepofte kastanjes en goedkope broodjes op handkarren aan de man proberen te
brengen.
Enkele keren word ik aangesproken door mannen. Meestal is het uit pure
nieuwsgierigheid, een enkele keer willen ze me rondleiden of een restaurant
inloodsen. Het is een warme lenteavond en ik loop met mijn pet en sjaal dan ook
een beetje in de gaten. Overal word je verlokt om te eten. De geëtaleerde
gerechten zien er smaakvol uit, bovendien zijn ze aantrekkelijk geprijsd. Ik
krijg de indruk dat de commercie hier voor een groot gedeelte op het welgestelde
publiek en dan met name op buitenlandse toeristen is gericht.
Aan en rond de Istiqlal Caddesi ligt een tiental bioscopen die de modernste
films vertonen; gelukkig in de oorspronkelijke Engelse taal met Turkse
ondertiteling. Ik stel voor mezelf alvast een plan op welke films ik perse wil
bekijken. De megahit Titanic in ieder geval. Rondom mijn hotel is alles te
krijgen, dus beladen met mineraalwater en bier zoek ik tegen tien uur mijn kamer
op. Er volgt een rusteloze nacht; na een (in-)spannende reis kan ik nooit goed
in slaap komen. Een of meerdere neuten om in te slapen kan ik niet nemen, want
bij wijze van hoge uitzondering heb ik bewust geen taxfree fles whisky gekocht.
Die nacht word ik me wel bewust van een van de weinige nadelen van dit hotel: de
wanden zijn dun. In het begin van de nacht kan ik meegenieten van mijn buren die
luidruchtig de liefde bedrijven.


|