1983. We zijn door de Bulgaarse douane naar Turkije teruggestuurd omdat onze
visa niet in orde waren, zeg maar liever omdat we geen visum hadden. In de
nabijgelegen stad EDIRNE (zie aldaar) hebben we alsnog een visum moeten
aanschaffen. We zitten nu op een Turks grensstation op een trein te wachten die
maar niet komt...
Zie hiervoor ook: Reis
Zonguldak / Istanbul
Vrijdag 5 augustus
Op het station aangekomen kocht Jos direct de enkeltjes Sofia, waarna we ons
weer in de wachtkamer installeerden. Daar was het niet uit te houden van de
hitte. Nergens was het uit te houden: niet in de pergola onder het Atatürk
borstbeeld, niet op de banken buiten, echt nergens was schaduw te bekennen. Tot
overmaat van lamp had de waterpomp het begeven zodat we ook verstoken bleven van
fris water. Kortom, we leden dorst. Op het station liep nog een eenzaam dolende
ziel rond. Een oudere Turkse vrouw, in Zwitserland wonend, was er gestrand en
wist in haar wanhoop niet meer wat te doen. Ze zat er al dagen zonder enige
hulp. Een nieuwe dag brak aan. We voerden lang gesprek over religie met een
spoorwegbeambte. Daarna verveelden we ons weer dodelijk. De waterpomp werd niet
meer hersteld en we bleven blauwbekken. Jos legde zich in een moeilijke houding
op ’n klein zitbankje te slapen en, verdomd als het niet waar is is, het lukte
hem ook nog. Clim was jaloers en kwam regelmatig kijken of hij nog lag te
ronken.
Toen ons geduld lang genoeg op de proef leek gesteld, verscheen eindelijk de
trein. Hij zat overvol, zodat we genoodzaakt waren op de gang te blijven zitten.
Daar hadden we vrede mee, omdat we wisten vanaf Sofia weer een 1e klascoupé te
mogen bezetten. We keuvelden wat met een aardige Duitse, die naar haar Turkse
aangetrouwde familie in Denizli op vakantie was geweest, en een Turk uit Keulen.
De vrouw gaf ons een fles cola om onze dorst te lessen.
Die ging er in als ware het fris bier, maar Clim was zo verstandig om de inhoud
te rantsoeneren.
Om zes uur was de trein nog niet weg. Jos liep maar weer eens
het perron op en kwam in contact met een sandwichverkoper uit Kayseri. Hij
versierde met wat losse Duitse munten twee sandwiches en ging toen met de
sympathieke, rondreizende neringdoende ergens thee versieren. Dit lukte bij de
douane. Daar stonden nog enkele Turkse jongeren uit Delft, ook berooid, wachtend
op familieleden die hen zouden komen afhalen. Om zeven uur arriveerde de trein
in Bulgarije. De douane was nu poeslief. We zaten op het gangpad en hadden
weinig te missen. Af en toe maakten we een praatje met wat Turkse kinderen; we
hadden de indruk dat die blij waren dat ze eindelijk weer eens Duits of
Nederlands konden praten.


|