|
Zie hiervoor ook: Reis
Zonguldak / Istanbul
05.00 uur: aankomst in Kapikule, de Turkse grens. We dronken onze eerste
echte çay in het ochtendgloren. Tot onze ergernis duurde het tweeëneenhalf uur
voordat alle Turkse passagiers voor en na gecontroleerd waren en de trein de
aftocht naar Istanbul kon blazen.
We spoorden door het glooiende landschap van Thracië en Clim begon om Jos te
tergen zijn eerste ezels en kamelen te tellen. Het weer was uitstekend, zonnig
dus. Ook in deze Turkse trein liepen de conducteurs af en aan. Gedurende de
gehele reis zijn we wel 12 keer opnieuw gecontroleerd. Volgens ons gebeurt er in
zo'n overladen trein van alles: zwartrijders bij de vleet, berovingen van
slapende passagiers, verstoppen van contrabande. Vooral de Bulgaren ging er hier
serieus op in: zij schroefden zelfs alle panelen van het plafond los op zoek
naar smokkelwaar! Corrupte toestanden (steekpenningen aan douane) komen er
echter minder voor dan bij het autogrensverkeer. In een trein zitten namelijk te
veel potentiële pottenkijkers.
Vrijdag 22 juli
13.00 uur: eindelijk na een bijna 53 uur durende treinreis reden we puffend de
grootste Turkse stad, Istanbul binnen. We kwamen aan op het eindstation Sirkeci,
waar we allereerst DM 400 in Turkse lira's omzetten; koers 1 op 85. Zeulend met
de bagage liepen we heuvelopwaarts op zoek naar een geschikt hotel. Het werd, na
enig zoeken, het 1e klas Hotel Sipahi. De kamer kostte L 850 (f10,-) per nacht,
echter zonder bad. We troffen het niet, want ze waren het hotel net aan het
renoveren. Er kwamen o.a. moderne badkamers in, hetgeen betekende dat de oude
dus knap waardeloos waren! Daarvan kan Clim getuigen, de geboden voorzieningen
waren voor hem volstrekt ontoereikend.
Toch lukte het ons ons enigermate te verfrissen en gingen we op stap. Onze
eerste verkenning gold de Blauwe Moskee, de Sultan Ahmed Camii. Hij heeft 6
minaretten en ziet er sprookjesachtig uit. Clim verbaasde zich over de
ansichtenverkoper die tot aan het middenrif geamputeerd was. De arme man deed
echter wel erg goede zaken!
De moskee mochten we slechts op kousenvoeten betreden; de schoenen werden netjes
bij de ingang geparkeerd. Hij is inderdaad blauwachtig van binnen. Om vijf uur
gingen we verder. Op weg naar het Gülhane - park (een zit- en wandelpark met een
kleine dierentuin) kochten we Franse kranten i.v.m. de Tour de France. Zou de
kleine Peter Winnen, een provinciegenoot van ons, de Grande Boucle winnen? We
waren benieuwd. In het park dronken we sloten thee uit een 2 liter - samovar. Ons
viel op dat sommige Turkse mannen arm in arm liepen.
Vanuit het park bereikten we te voet de Bosporus. Het water was er opvallend
zuiver en helder blauw. Aan de kaden, maar ook op en in de scheuren van de kade
zaten mannen en jongetjes te vissen. We hadden er een uitstekend uitzicht op de
Gouden Hoorn, de Bosporus (druk bevaren, vooral veerboten en ferries), de
paleizen en moskeeën hoog achter ons, de Zee van Marmara (waarin twee zichtbare
scheepswrakken) en de wijk Beyoğlu (Europa) en het stadsdeel Usküddar (Azië) aan
de overkant.
We slenterden richting Galata - brug, het drukste gedeelte van Istanbul, samen
met het koortsachtig levendige (en van uitlaatgassen walmende) Taksim - plein.
Intussen hadden we al twee maal in kleine restaurantjes gegeten. Die lokanta’s zijn
doorgaans spotgoedkoop, voor f 5,- heb je er goed gegeten. Zitgenot e.d. moet je
echter niet verwachten. Het Turkse "fast food" bestaat uit köfte
(gehaktrolletjes), tasj kebabi, (goulash - blokjes), döner kebab (schaapsvlees
aan spies), schaslik (ook ons bekend), pilav (gebakken gierst), pirinç (rijst),
patlican (gevulde aubergine) en veel brood en salata met pepertjes!
Een halve haan (piliç dus, een woord dat C1im beter dan Jos kon onthouden) was
er echter relatief duur. Hij kostte wel f 3,- zeg!
Tegen een uur of acht waren we weer terug in het hotel en gingen we even onder
zeil. Kort na negen stonden we achter onze eerste pinten van die dag. We hadden
een soort arbeiderscafeetje (birrahane) gevonden. Dit zou ons stamkroegje
worden, spraken we af. Het bier (EFES pils) werd er getapt zonder schuim, maar
C1im maakte de obers al gauw duidelijk dat hij dit niet op prijs stelde. Een
0.45 cl pint kostte doorgaans één piek, voor het geld hoef je hem dus niet te
laten staan! Hij was gelukkig redelijk drinkbaar. In dit café bleek eens te meer
dat het een fabeltje is dat Turken geen alcohol drinken omdat ze moslim zijn.
Ietwat rozig (we hadden immers drie dagen min of meer moeten blauwbekken)
liepen we richting hotel, toen we op dit late uur nog werklui ontdekten. We
knoopten een praatje aan en boden hun cognac aan die we uit Nederland voor
noodgeva1len hadden meegenomen. Er werd gewerkt aan het hoofdkantoor van een
weekblad, een soort Turkse "Privé" of "Story”, volgens de uitvoerder (laten we
hem maar zo noemen) volledig gefinancierd door Khaddafi van Libië. Naam
boulevardblad: Hayat (Leven). De grondwerkers buiten (echte onderbetaalde en
uitgebuite koelies) werden door ons nog eens extra onthaald op alcoholica. Een
van hen weigerde plichtsgetrouw, na drankconsumptie kon hij niet meer werken zei
hij, en dan zou onverbiddelijk ontslag volgen.
Om half een 's nachts stommelden we luidruchtig de trap op. In de lounge van het
hotel hadden we nog mineraalwater besteld om de rest van het flesje cognac door
te spoelen. Zonde eigenlijk.
Zaterdag 23 juli
11.00 uur: langzaam opstaan geblazen. Eens echt duur gaan eten (f 7,50 per
persoon), bediend door obers in uniform en met damasten lakens op de tafels. Het
restaurant heette "Palas" en lag aan de Divan Yolu. Te voet trokken we de stad
in. We bezochten het voormalige paleis van de Turkse sultans, de Serail, het
zogenaamde Topkapi paleis, in het Nederlands het Kanonnenpoort – paleis genoemd.
Tegenwoordig is het Museum. Het wordt druk bezocht, zowel door allochtone
toeristen als autochtonen.
|
Topkapi Sarayi
Complex en
omvangrijk paleis van de sultans
Op het toppunt van zijn macht in de 16e eeuw
strekte het Osmaanse Rijk zich uit van de Donau tot de Perzische
Golf en van de Kaspische Zee tot het huidige Marokko. In het hart
ervan lag Istanbul, en in het hart van Istanbul lag Topkapi Sarayi,
het paleis van de sultan en de regeringszetel van het rijk.
Mehmed II, die Constantinopel in 1453 innam en
haar Istanbul noemde, stichtte Topkapi, maar het paleis werd in
vierhonderd jaar tijd verbouwd en uitgebreid. Sinds 1924 is het een
museum. Topkapi is ontworpen in de oosterse stijl, rondom een reeks
binnenhoven met poorten, die elk een stap dichter bij de zetel van
de macht vertegenwoordigen. Op de eerste hof moet het een drukte van
belang zijn geweest met handelaren, bezoekers en smekelingen, maar
alleen de uitverkorenen drongen door tot de vierde hof met de
paviljoens en tulpentuin. Aan de tweede binnenhof bevindt zich de
Divan Salonu, waar adviseurs van de sultan staatszaken regelden.
Erachter lag de troonzaal en schatkamer. Hier wordt nu een deel van
de fabuleuze rijkdom der Osmaanse sultans tentoongesteld, waaronder
gouden tafelgerei en enorme smaragden, een van 's werelds grootste
diamanten en de met juwelen bezette Topkapi - dolk.
Achter deze publieke façade van het sultanaat
ligt de zeer besloten harem. Soms oefenden de haremvrouwen veel
macht uit vanachter de schermen. Deze doolhof van zo'n vierhonderd
kamers was niet alleen het vrouwenvertrek, maar ook de
privéresidentie van de sultan en zijn familie, bedienden en
eunuchbewakers. Naast de luxe appartementen tonen andere delen de
keerzijde van de harem: een fonteinkamer om niet afgeluisterd te
worden, en de Kooi, voor alle mannelijke verwanten die de troon
wilden bestijgen. Topkapi's reputatie voor complotten en intriges
wordt hier weer eens te meer bevestigd. |
Na ongeveer de helft van het paleis bezichtigd te hebben, namen we rust en een
koele dronk in restaurant dat op een kiosk gebouwd was en een magistraal
uitzicht over de Bosporus bood. Het was toen half drie. De wereldbekende Harem
was ook in het uitgebreide Topkapi - complex gelegen. Hiervoor moest apart
entree betaald worden. Clim sloot achterin de rij aan, terwijl Jos ging
"zonnen". In de Harem kregen we een snelle maar eerlijke rondleiding. In ons
groepje liep ook een Nederlands - Hindoestaanse familie mee. Om vijf uur sloot
het museum. Buiten zijn poorten namen we onze kamera en schoudertas weer in
ontvangst (die hadden we van te voren moeten inleveren i.v.m. verboden
fotograferen en evt. vernielingen) en bekeken we een 10 m lange kayik. (Kajak,
evenals divan en kiosk 'Nederlandse' woorden die we aan het Turks ontleend
hebben).
Jos kocht een driekwart liter fles raki, Turks gedestilleerd dat lijkt op anis,
pernod, ouzo. Met water erbij kleurt het wit; men noemt het dan ook leeuwenmelk
in Turkije, ook vanwege de kracht van de alcoholische geest erin. We aten in een
gemoderniseerde en aan de Westerse smaak (en zeden en gewoonte!).) aangepaste "birrahane".
Er kwamen veel toeristen, dus was het er ook redelijk duur. Bovendien moesten we
lang wachten, hetgeen voor Clim aanleiding was drie halve liters vooraf te
putten. Op deze bodem zou hij de rest van de avond goed kunnen bouwen! Jos
baalde alleen maar.
Vlakbij het hotel (waar we ons nog een tijdje te ruste wilde leggen) ontdekten
we een gemoedelijk en vol cafeetje met open voorfront. Clim, in een jolige bui,
toog er onmiddellijk naar toe en gaf een rondje voor de hele tent. Al gauw vond
hij een maatje, een duister ogend: manspersoon die in driestuiversromannetjes
wel model zou kunnen staan voor de wrede Turk, Abdoellah geheten. Deze Abdoellah
showde trots zijn rug, die met een vuistdikke vacht bedekt was. De kwinkslagen
vlogen door de lucht (in allerlei talen), Clim stal de show met een grap die hij
zelf niet begreep. (Ga naar de Ayi Sophia voor de toeristen, zei hij, maar
bedoelde Aya Sophia. De Turken lachten zich dood, want ayi betekent in hun taal
"beer". Gezien de beharing een spitse woordspeling dus, een volgend rondje bleef
dan ook niet uit.
De gebeurtenissen die op deze avond volgden staan ons niet meer zo helder voor
de geest. In ieder geval hebben we het volgende allemaal gedaan:
- lahmacun gegeten, een soort pannenkoek;
- van bloed druipende harten in een slagersetalage bekeken;
- gebiljart op een vervuild laken met kromme stokken (queues kon je het met de
beste wil van de wereld niet noemen!), nog geen 1.00 gemiddeld;
- een Besnijdenisfeest bezocht ergens vier-hoog. Het was een
familiebijeenkomst. We spraken met Zwitserse Turken en waren welkom. Er was
echter geen bier meer: ‘kalmadi' = niet overgebleven, op), dus waren we weer
snel verdwenen. Het besneden jochie kreeg van Jos wat geld en wilde zijn
communiehemdje oplichten om zijn bloedige stompje te tonen;
- een bruiloft bezocht. Helaas bleek de trouwpartij net te zijn afgelopen en
konden we alleen maar het paar uitwuiven;
- een straatfeest bezocht, speciaal voor ons georganiseerd in een
achterafstraatje. Ouwe mannen met waterpijp, anderen met banjo, zang en dans,
het bier en de raki gingen rond. We ontvingen vele uitnodigingen om eens op
bezoek te komen, maar we vergaten ze allen, niet moedwillig, meer wegens ons
inmiddels behoorlijk beneveld brein;
- op een terras gezeten;
- na sluitingstijd in een groot restaurant toch steeds opnieuw bier gekregen.
Clim onderhield zich met de Turkse kelners, zónder woorden maar mét gebaren,
terwijl Jos buiten met Turkse ambtenaren zat te keuvelen;
- naar hotel met een taxi die niet kon vertrekken, omdat het open portier door
ons gewicht op de hoge stoeprand was vastgelopen;
- om één uur 's nachts lagen we te ronken.
De volgende dag vertrokken we naar de stad Zonguldak aan de Zwarte Zee - kust
in het noorden gelegen.
Voor onze avonturen daar, gaar naar onze speciale site
ZONGULDAK.
Op de terugweg vanuit Zonguldak verbleven we opnieuw enige
tijd in Istanbul. Hier volgt het verslag...
In Usküdar (aan de Aziatische overkant van Istanbul) kreeg de chauffeur
herrie met een passagier die tussentijds wilde uitstappen. Het ging er heet aan
toe. Om 17.30 uur bereikten we de terminal Topkapi, eindstation voor bussen in
Istanbul. De reis had 5½ uur geduurd, met een uurtje pauze. We namen een taxi
naar de wijk Beyoğlu, het zogenaamde uitgaanscentrum. Daar namen we onze intrek
in een 1e klas hotel, maar dan zonder sterren. Dit hotel Akpalas was gelegen
naast een van de duurste hotels van Istanbul, het Marmara Hotel waar Jos elke
dag zijn buitenlandse kranten kon gaan kopen. Prijs van ons hotel per
overnachting: fl 10 per persoon.
We zaten hier wel aan de rand van het
hoerenkwartier, de rosse buurt. De aanwezige "lichte” vrouwen deden hun naam
geen eer aan: ze wogen allen meer dan 100 kg. Veel bordelen werken hier onder de
dekmantel van een restaurant. De prijzen liggen rond een tientje per nummertje.
In een van zo'n zgn. restaurantjes aten we, veel te duur. We voelden ons
belazerd. De rest van de avond slenterden we door de wijk en maakten we een
praatje met het jonge, onervaren hotelpersoneel We sloegen eten en drank in via
een loopjongen. ‘s Avonds brak er weer een hels noodweer uit. Clim communiceerde
met een"arkadasj" aan de overkant van de straat, tegen de loeiende wind in.


|