|
Maandag, 23 februari
Ik loop op mijn gemak naar het centraal gelegen Taksim - plein. Daar is nog
alles als vanouds, het plein is altijd al modem van uiterlijk geweest. Dit is de
omgeving van de kantoren van vliegmaatschappijen en dure hotels. In een ervan,
Hotel Intercontinental, blijf ik een tijdje in de Palmenserre stil genieten van
de pure luxe. De kranten zijn hier gratis, dus die gaan mee.
Ik zit weer hoog, boven op de heuvel. Via een drukke autoweg daal ik af naar de
wijk Beşiktas, langs het grote stadion van de voetbalclub met dezelfde naam.(
Andere bekende voetbalclubs uit Istanbul: Fenerbahce, Galataseray, Istanbulspor.)
Ik kom uit bij de kade annex touringcar - parkeerplaats precies tussen een
barokachtige moskee en het grote Dolmabahce - paleis uit de vorige eeuw. In dit
paleis is de "Vader aller Turken" Atatürk gestorven, waarschijnlijk aan de
gevolgen van een door stug alcoholgebruik vergiftigde lever. Boze stemmen
beweren dat het ook wel eens longkanker of geslachtsziekte geweest zou kunnen zijn. In de haven van Beşiktas ga ik aan boord van een veerboot en laat me in tien minuten naar de
andere oever brengen'.
 |
 |
Aan de Aziatische kant ligt het stadsdeel Üşküddar, vroeger een stoffig en
rommelig stadje. Tegenwoordig is het een stuk moderner geworden. In een
restaurant dat qua inrichting ook in Amsterdam had kunnen liggen, eet ik 'börek
ispanakli' (Spinazie is mijn lievelingsgroente.) Er schijnt een mild
lentezonnetje, wat mij ertoe verleid om een uurtje bij een fontein het leven aan
mij voorbij te laten trekken. Op een gegeven moment val ik zelfs in slaap, zo
vredig gaat het hier aan toe.
In een fikse wandeling van een uur trek ik langs de oevers van de Bosporus
zuidwaarts. Ik kom uit in Harem, vlakbij het busstation van waaruit je alle
bestemmingen in heel Turkije kunt bereiken. Hier ligt ook de commerciële haven,
waar afgemonsterde zeebonken en gespierde truckers op doorreis schimmige zaken
doen die het daglicht niet kunnen verdragen.
Ik steek weer over naar de Istanbul - kant en kom uit bij de kades van Eminönü.
Van daaruit keer ik via de Tünel, die op weekdagen gewoon geopend is, terug naar
mijn hotel.
‘s Avonds ga ik in de buurt naar de bioscoop. Het is een van de nieuwste films
van Michael Douglas, The Game geheten. Het verhaal zit goed in elkaar en Douglas
acteert zoals altijd redelijk goed. Sean Penn speelt er ook in mee. De film is
niet nagesynchroniseerd, zodat ik me met het Engels moet redden, maar dat lukt
me bar slecht. Ik kan nauwelijks iets van het gesproken woord volgen, daar zal
mijn slechte gehoor debet aan zijn. Gelukkig
kan ik me behelpen met de simpele Turkstalige ondertiteling. De entreeprijs is
naar plaatselijke maatstaven zeker niet goedkoop, acht gulden.
Op mijn hotelkamer maak ik een les van de cursus Turks af; op de achtergrond
heb ik muziekprogramma's op de televisie. Naast quizzen, spelletjes en
praatprogramma's is er niet veel meer op de buis, ook al heeft de hotelkabel
meer dan 20 zenders.


|