|
|
IZMIR EN DE
EGEÏSCHE
KUST
Route Bursa - Izmir / Meer informatie over Izmir (1) / Meer informatie over Izmir (2) |
![]() |
![]() |
![]() |
Dag
8
Om
11 uur exact vertrok de bus naar Izmir. De
reis kostte 700 lira en voerde 400 km
lang door bergen en dalen. Af en
toe kon ik langs de weg kamelen signaleren.
De omgeving was er redelijk vruchtbaar.
Het verbaasde me niet dat de Grieken na de Eerste Wereldoorlog juist dit
gedeelte van Turkije probeerden in te pikken. Atatürk stak daar echter tijdig
een stokje voor in 1923. Eenmaal ontsnapte ik ternauwernood aan een ramp:
tijdens een korte stop was ik uitgestapt om een flesje mineraalwater te gaan
drinken, niemand had daar blijkbaar iets van gemerkt.
De bus vertrok zonder mij, maar toen zij de hoofdweg op wilde draaien.
kon ik mij er nog net schreeuwend en met ware doodsverachting voorgooien.
Stel je voor: platzak in de rimboe achter blijven terwijl je volledige
bagage op weg naar Izmir is. De chauffeur vond het een kostelijke grap, ik
niet.
|
Toch zijn er nu nog steeds
Grieken in Izmir aanwezig, maar zij houden zich logischerwijze gedeisd. |
|
![]() |
![]() |
In
de buurt van mijn hotel dwaalde ik wat af en kwam ik tot mijn verrassing in de
rosse buurt terecht. De
portiers van de nachtclubs en de twijfelachtige eettentjes trachtten me met
enige aandrang naar binnen te lokken, maar ik gaf geen krimp. Er heerste een
aangename losse sfeer. Al die buitenlandse zeelui zullen daar wel toe
bijgedragen hebben, per slot van rekening is Izmir een van de belangrijkste
havensteden in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee. Bovendien ligt
er een grote Amerikaanse militaire
basis vlak in de buurt. Op dit
vergevorderde uur werd er op straat nog een levendige handel gedreven; behalve
vrouwelijk vlees werden er ook nog oraal te consumeren vleessoorten
aangeboden. Vol belangstelling maakte ik met dit oude centrum van Izmir
kennis, mezelf belovend hier terug te keren.
Op een gegeven moment raakte ik in gesprek met een jonge krantenverkoper. Hij nodige me direct uit voor thee naast zijn stalletje. Vrienden en kennissen voegden zich bij ons en maakten er een gezellige boel van. Dit trok de aandacht van het passerende publiek, met als gevolg dat het gezelschap zich al gauw uitbreidde. Het werd een van de gezelligste uurtjes tijdens mijn gehele verblijf in Turkije. De inwoners van Izmir zijn wereldser en goedlachser dan de gemiddelde Turk van het platteland, die wat ingetogener en stugger is. Het gesprek werd gevoerd in het Turks. Ik verstond deze mensen redelijk goed, ook al omdat zij zo beleefd waren om zich de moeite te getroosten langzaam en duidelijk te spreken. We spraken over seks, geld, politiek, Griekenland (een hot item hier!), religie, beroepen, enzovoort. Mehmet, de krantenjongen, en zijn vrienden Ercay en Yasser zaten op hun achttiende al jaren in de handel. Huseyin, een verlopen alcoholistisch type, erg anti-moslim (dat kan in deze stad) en voormalig immigrant in Duitsland, voerde later het hoogste woord. Hij ontpopte zich als een pseudo-filosoof. De anderen accepteerden zijn dominantie zonder morren, ondanks zijn excentriciteit en zijn drankzucht. Uiteindelijk had hij bewezen al heel wat van de wereld gezien te hebben. Hij had zijn hoofd helemaal kaal geschoren, dat was zijn handelsmerk geworden. Hij was het die ervoor zorgde dat we van thee via ayran (een frisse aangelengde yoghurt- of karnemelkachtige drank) ongemerkt overschakelden op grote flessen bier. Natuurlijk betaalde iedereen mee, alleen de hooggeëerde gast uit Holanda mocht beslist niet in de kosten delen.
![]() |
![]() |
Op
hetzelfde plein waar wij stonden te ouwehoeren was even verderop in een moskee
een gebedsdienst ter gelegenheid van het einde van de Ramazan aan de gang. Ook
de binnenhof stond stampvol met gelovigen. Even later stroomde een bioscoop
leeg. De mensenmassa's die daar uitkwamen deden de aantallen gelovigen in de
moskee verbleken, hetgeen voor ons godslasterlijke groepje een perfecte
aanleiding voor hilariteit vormde. Voor de moskee speelden zich trouwens nog
enkele trieste taferelen af. In lompen gehulde bedelaars, misdeelden en
afzichtelijk misvormden in wrakkige karretjes deden een intens beroep op de
Islamitische plicht van 'sakat', ofwel het geven van aalmoezen. Niet zonder
succes moet ik toegeven. De enige reacties die deze ongelukkigen aan mijn door
het leven geharde metgezellen konden ontlokken waren bijzonder cynisch:
"Stommelingen, dan hadden zij zich ook maar
moeten verzekeren!"
Plaatsen
waar doorgaans veel volk op de been is vormen het ideale werkterrein voor
zakkenrollers. Die waren er volgens mijn zegslieden dan ook in groten getale.
Een van de lui uit ons groepje was een 'stille', een rechercheur in burger
dus. Hij heette Mustafa en kwam oorspronkelijk uit Syrië; hij zag er ook een
stuk donkerder uit dan de West-Turken. Pas toen ik er op attent werd gemaakt
zag ik de bolling van een klein kaliber pistool tussen zijn broekband en hemd.
Zijn taak bestond louter uit het betrappen van zakkenrollers. Zijn ogen
spiedden voortdurend rusteloos rond en hij stond bij ons groepje bij wijze van
cover. Aan ons politieke gezwets had hij geen boodschap, hij werd alleen maar
betaald om boeven te vangen, zo zei hij. Politiek interesseerde hem geen lor.
Op mijn aandringen gaf hij wel toe dat andere politieonderdelen
gespecialiseerd waren in het opsporen van dissidenten, politieke raddraaiers
en sociale onruststokers. Ter bestrijding van het terrorisme bestonden zelfs
perfect uitgeruste en voorbeeldig getrainde commando's die nauwelijks aan
iemand verantwoording schuldig waren. Mustafa verstond zijn vak in ieder geval
wel, daar was ik zelf getuige van toen hij midden in een gesprek opvloog en
twintig meter verderop een gauwdief in de kraag greep. In een houdgreep
bracht hij de arrestant op; tien minuten later was hij weer terug op zijn
stek, het politiebureau lag om de hoek. Hij hoefde zeker geen uitgebreide
verbalen uit te schrijven zoals bij ons gewoon is bij arrestaties.
Tegen een uur of één belandde ik samen met Huseyin in een armoedig hotel, waar we op zijn kosten nog een afzakkertje zouden nemen. Ook daar ging het er vrolijk en opvallend tolerant aan toe. Ik sprak een tijdje Duits met een zekere Yusuf, die afkomstig was uit de stad Kayseri in het binnenland. Pas na tien minuten kwam ik er tot mijn schaamte achter dat Yusuf volslagen blind was. Zijn min of meer perfecte Duits had hij via een auditieve 'Fernkurs' aan de universiteit geleerd. Ik vond dat maar erg knap.
|
Ozcan, een berensterke kerel met spieren
als kabeltouwen, bleek ook
gehandicapt te zijn. Hij liep al sinds zijn kindertijd mank. Als ik voor hem
in Nederland werk zou vinden, dan zou hij de helft van zijn verdiensten aan
mij afstaan, zo bezwoer hij me bij de Baard van de Profeet. Werken kon hij als
geen ander, beweerde hij, en hij rolde maar weer eens met zijn indrukwekkende
spierbundels. Tegen twee uur
realiseerde ik me rijkelijk laat dat elk ogenblik de avondklok kon ingaan. Als
rechtgeaarde Turken bood men mij natuurlijk een slaapplaats aan, zoals goede
gastheren betaamt. Dat zag ik
echter niet zitten en gehaast vertrok ik naar mijn hotel. Moederziel alleen
sloop ik door de duistere doolhof van oud-Izmir. Plotseling stootte ik op twee
surveillerende soldaten. Ik bemerkte hen als eerste. Na enig geaarzel stapte
ik met mijn handen omhoog het licht in en speelde ik de domme toerist die
verdwaald was en niet meer de weg naar zijn hotel wist. Gelukkig hadden zij
hun trekker niet zo los zitten en trapten zij in mijn komedie. Gewillig
begeleidden ze me naar het hotel, na eerst bij een ander hotel de juiste weg
te hebben gevraagd. Ik vond dat ze hierbij nogal bruusk te werk gingen. Het
waren eenvoudige boerenjongens uit de buurt van de papaverstad Afyon. We
wisselden wat sigaretjes uit. Als verdere dank sprak ik de hoop uit dat Allah
hun in de toekomst wilde zegenen met een grote en gezonde kinderschare. De
nachtportier was hoogst verbaasd mij op dit late uur gezond en wel te zien
arriveren. |
|
Ik
begon me langzamerhand alleen te voelen.
Ik kon al mijn ervaringen en belevenissen wel aan het papier
toevertrouwen, maar uiteindelijk miste ik toch iemand met wie ik ze kan delen.
's Morgens bezocht ik het chique jaarbeursterrein, een uitgestrekt
tentoonstellingsgebied (Turks: fuar. Vgl. foire in het Frans) met allerlei
attracties zoals speeltuinen, waterpartijen, theatertjes, lunapark,
restaurantjes, wandelpaadjes, museumpjes,
etcetera. Op het terras waar ik mijn ochtendthee dronk, werd ik al
snel omringd door nieuwsgierige kelners; sommigen pochten op hun kennis van de
Duitse taal, opgedaan tijdens een tijdelijk verblijf daar.
Ene Orhan Kunucer bleef het langste zitten.
Hij was blijkbaar de chef van het personeel.
We wisselden adressen uit.
Op
mijn weg terug naar het centrum reserveerde ik alvast een plaats in de bus
naar Denizli voor de volgende dag. Dat
ging me in het Turks steeds beter af. Jammer
genoeg zitten bij de reisbureaus net dié Turken die buitenlandse talen
beheersen en dat willen ze weten ook. Het
gevolg was vaak dat ik in het Turks bleef praten, terwijl zij in het Duits,
Engels of Frans (al naar gelang hun keuzevak op de middelbare school)
bleven antwoorden. Voor een
buitenstaander was dit erg komisch! Via 2 dolmusjen bereikte ik Konak, het
nieuwe centrum van Izmir. Daar
nam ik de bus naar Kadifekale, de
oeroude vesting die op de Pagusberg ligt en een magnifiek uitzicht over de
stad biedt. De fundamenten van de
citadel stammen uit lang vervlogen tijden en zijn bij benadering 2.300 jaar
oud. Het was snikheet die dag, wel 40 graden in de schaduw.
Ik voelde me erg loom en was niet zo actief als andere dagen, Met een
haveloos herdersjongetje trachtte ik een gesprekje aan te knopen, maar hij
wantrouwde me en zocht bescherming tussen
zijn kudde. Toen ik lang
genoeg van het panorama over de baai genoten had, besloot ik per taxi naar de
Agora, het oude Romeinse marktplein te gaan. Rond die Agora lag de bazaar,
waar alles door elkaar heen friemelde; ik werd er gewoon zenuwachtig van al
die drukte. Ik probeerde gevulde
mosselen (verrukkelijk!) uit bij een visserszoon, dronk zelf gemaakte
grenadine (buikpijn!) en kocht zoete lekkernijen om op mijn hotelkamer op te
peuzelen. Verder kocht ik nog een
aantal folkloristische kaarten, onder meer van klederdrachten voor een
collega.
![]() |
|
Om 8 uur die avond begaf ik me wederom naar de boulevard. Ik wilde opnieuw getuige zijn van het kleurrijke schouwspel dat de zon bij haar ondergang bood. Daartoe nam ik plaats op een mondain terras. Om me heen werd, hoe kan het ook anders, Amerikaans gesproken. De boulevard met zijn setting is uitgesproken Côte d'Azur-achtig met zijn palmen en zijn bloemenpracht. De binnenstad en de volkswijken doen me echter aan Napels denken: vrolijk, levendig, maar armoedig.
Mehmet, de homofiele ingenieur |
|
Terwijl
ik aantekeningen maakte, voelde ik steeds een blik op mij gericht.
Een Turk van mijn leeftijd zocht duidelijk contact en nodigde me aan
zijn tafeltje uit. Ik ging op
zijn uitnodiging in en at friet (ja, ja, het was een moderne Turk, dat zal nog
blijken) met hem mee. Zijn naam
was Mehmet Firinli, hij verbleef voor 2 maanden in het dure Strandhotel. Hij was afkomstig uit Ordu aan de Zwarte Zeekust, ingenieur
van beroep en in Izmir bezig aan de bouw van een nieuwe fabriek die
hazelnootproducten moest gaan verwerken.
Ordu is het nationale hazelnootcentrum, vandaar.
Hij sprak een beetje Engels en dat werd dan ook onze voertaal, hoewel
dit erg moeizaam verliep. Hij was a-politiek en alleen geïnteresseerd in de "big
money". Opeens rekende hij
af, ook voor mij, en met een vette knipoog vroeg hij of ik nog meeging naar
zijn kamer om 'platen te drinken' en 'whisky te beluisteren'. Toen ik
aarzelde, nam hij andere methodes te baat en begon hij lief te praten en mijn
armen te strelen. Zijn bedoelingen werden mij toen pas echt duidelijk en ik vroeg
gedecideerd of hij soms homoseksueel was.
"Jij dan niet?", was
zijn antwoord. Dat was het dus.
Zijn teleurstelling stond op zijn gezicht geschreven toen ik die vraag
verontwaardigd ontkende: illusies in scherven en plannen in duigen
gevallen: die investering van een maaltijd was voor niets geweest. Alles
was ijdele hoop gebleken. Bij het afscheid kwam er toch een omarming aan te pas.
Uiteindelijk bestonden er "no hard feelings" tussen ons.
En zo hoort het ook. |
Op
mijn gemak keerde ik via een alternatieve route terug. Deze keer stootte ik
bij toeval op het chique uitgaanscentrum, wat inhield dat de portiers van de
nachtclubs en bordelen opvallende, maar ondefinieerbare uniformen aanhadden in
plaats van hun dagelijkse kloffie zoals de avond van te voren bij de obscure
tenten het geval was geweest. Ik
liet me niet overhalen. Wel
bestelde ik op straat nog een sjies-kebab met "çok, çok"