Vrijdag 19
augustus
|
|
|
"Veroveraars met
een zwaard verliezen het van veroveraars met de ploeg; ze zullen hun plaats aan
hen afstaan."
|
Atatürk (ofwel
Mustafa Kemal Pasja)
|
Dag 18
|
Jos stond als
eerste op en ging alvast de nodige inkopen doen: bronwater, worst, kaas, brood,
eieren (geverfde!), zout, vruchtensappen en dieetkoekjes voor Robbert (die zich
nog steeds allerbelabberdst voelde; last van steken in de buik en van diarree).
Het eten was bestemd voor consumptie in de trein naar Ankara.
Samen met Henk
stapten we in de dolmusj en zochten we Omer de beambte van het VVV‑kantoor op.
Deze speelde de vermoorde onschuld, maar wij Hollanders hielden voet bij stuk en
eisten gedeeltelijk restitutie van het teveel betaalde reisgeld. Uiteindelijk
zwichtte hij voor onze hardnekkigheid en beloofde hij om 11 uur met cash te
komen. Wij konden echter niet daarop wachten omdat we tegen die tijd de trein
verwachtten. Jos gaf aan Henk zijn banknummer, zodat deze eenmaal terug in
Nederland de ons rechtens toekomende fl 42,‑ (want om die som ging het) kon
overmaken. Henk hield woord: drie weken na terugkeer in Nederland ontvingen we
het bedrag keurig op onze rekening. Dus sommige van die Hollanders in het
buitenland kunnen toch nog aardig en sympathiek en betrouwbaar zijn! Overigens,
de Groningers waren ook present om hun (kleiner) aandeel te incasseren. Zij
zouden die dag naar de westkust gaan liften.
|
 |
We waren fijn op
tijd op het station. Er werd door een aantrekkelijke juffrouw (die beslist niet
in dit verwaarloosde decor thuishoorde) naar Nigde getelegrafeerd om te
informeren of er nog 1e klas‑plaatsen vrij waren. Gelukkig wel. De kaartjes
kostten omgerekend fl 5.‑ voor een le klas reis van pakweg 400 km. De trein
bleek een klein uur vertraging te hebben. Tijdens het wachten op het perron
werden we regelmatig aangeschoten door kinderen die hun Duits en Engels wilden
oefenen. Ze waren niet al te opdringerig, zodat we met plezier op hun
contactzoekerij ingingen en hele gesprekken voerden met hen. Robbert maakte ook
nog een praatje met een Turkse man die jarenlang in Harderwijk in een
kippenslachterij had gewerkt. Hij sprak niet zo best Nederlands. Weer een andere
Turk vroeg ons hoeveel we voor de flesjes fris die we daar kochten hadden moeten
betalen. Waarschijnlijk was het iemand van de economische controledienst die
moest nagaan of we niet waren opgelicht. Tegen half een verscheen de trein,
piepend en puffend. De jongetjes
hielpen ons met het vinden van een geschikte coupé en joegen de aldaar gezeten
passagiers eruit. Hoe ze dat klaarspeelden blijft ons een raadsel. Als
tegenprestatie beloofde Jos een van hen postzegels op te sturen.
 |
 |
Een ander kreeg
alvast wat losse Duitse geldstukken. Zij spaarden Duits geld, beweerden ze;
nogal wiedes. wie niet in zo'n arm land! Het werd een bijzonder vervelende en
ook afmattende reis. De trein stond tientallen malen doelloos op de rails stil,
terwijl de zon onbarmhartig op het metalen dak brandde. Vaak reed de trein
stapvoets, ook zonder aanwijsbare redenen. In elke vlek waar we stopten, moest
het handvol passagiers letterlijk de trein binnenklimmen door afwezigheid van
perrons of zoiets. Marskramers liepen voortdurend in het gangpad hun waren al of
niet luidkeels aan te prijzen. Uit gezondheidsoverwegingen kochten we alleen
drinkbare spullen. Ons eigen bronwater was natuurlijk pislauw geworden. Om
beurten gingen we een uurtje onder zeil, uitgestrekt op de harde banken.
Tussendoor lazen we of keken we uit het raam naar het eentonige landschap: vlak
en kaal, hier en daar een dorpje of een schaapsherder met zijn kudde, soms grote
graanvelden, in de verte wazig schemerende heuvelruggen. In dit gedeelte van het
land zwaaien de kinderen zonder uitzondering naar de trein. In het meer
geciviliseerde westen doen ze dat niet; daar gooien ze met stenen, in Izmir
waren we daar bijvoorbeeld getuige van.
 |
 |
Het logo van de Turkse Spoorwegen, letterlijk vertaald:
DE IJZEREN WEG
|

|
|
 |
Aankomst op het
nette station van Ankara. We gingen onmiddellijk op zoek naar inlichtingen over
treinen richting Izmir. Dat lukte niet zo best. Terwijl Robbert op de bagage
paste, nam Jos een gedistingeerde. Frans sprekende Turkse heer in de arm. Deze
was erg hulpvaardig; dankzij hem kwamen we erachter dat we ook hier de volgende
dag moesten terugkeren om te kunnen reserveren. Per taxi reden we naar het
centrum om een hotel te zoeken.
Plotseling vielen alle stadslichten uit,
waardoor de stad in diepe duisternis werd gehuld. Door een misverstand
(communicatiestoornis) reed de chauffeur ook nog een verkeerde richting in,
maar uiteindelijk belandden we waar we zijn wilden. We kozen het enige hotel dat
nog licht voerde, hotel Erden in de buurt van het Genclik Parki. Hoewel het
hotel zich in een deplorabele toestand bevond, werd er een forse prijs gevraagd,
maar we hadden geen zin om te gaan afdingen. Tenslotte was dit het enige hotel
met een goede lichtvoorziening en dat was ons ook wel wat
waard. De doucheruimte verkeerde in een hopeloze toestand; het stonk er, de
kraan druppelde onophoudelijk en de gebarsten closetpot zag bruingeel van de
aanslag.
|
We bleven maar
enkele minuten op de kamer, want we wilden zo snel mogelijk naar het nabije
Genclik Parki, waar gouden gerstenat en gegrilde kippetjes ons wachtten. Bij
nader inzien nam Jos geen geroosterde haan maar köfte, welke men vergat af te
rekenen. Het was een hete dag geweest en dus hadden we een uitgedroogde keel. In
een van de vele biertuinen bleven we tot kwart over één drinken en naar de
sentimentele films op de televisie kijken. Om kwart over twee was Robbert al
lang in dromenland, terwijl Jos na een hevige hoestaanval geen oog meer dicht
kon doen. Om de tijd toch maar nuttig te besteden stelde hij in het Turks een
protestbriefje op, waarin puntsgewijze ingegaan werd op de mankementen van het
hotel en waarin werd verzocht de prijs tot de helft te verlagen. Als bewijsstuk
sloot hij een buitgemaakte kakkerlak in. Het lijstje: ‑ geen handdoeken ; ‑ geen zeep
aanwezig; ‑ een kapotte schemerlamp; ‑ een irritant
lekkende kraan; ‑ wèl aanwezig: kakkerlakken; ‑ een smerige
wasruimte; ‑ een ongevraagd wektelefoontje om zes uur ’s morgens.
|

|
In het Genclik Parki brachten we heel wat uurtjes
zoet.
|
Onze treinreis die
dag: KAYSERI – Himmetdede - Kirikkale ‑ ANKARA
Zaterdag 10
augustus
CITAAT
|
|
“Allah is Groot
en Mohammed is Zijn Profeet."
|
De heilige Koran
|
Dag 19
Het was al bijna
middag toen we opstonden. Onze tassen waren al de avond tevoren ingepakt. Bij
het afrekenen aan de balie ontstonden er wat spanningen, waaraan het briefje van
Jos debet was. Onze klachten vielen niet in goede aarde en slechts na lang en
moeizaam onderhandelen was men bereid iets van de prijs af te doen. We stelden
ons hiermee tevreden. Onder afkeurende blikken van het talrijke (onnodige)
personeel gingen we op zoek naar een taxi, die ons naar het station bracht. Daar
ging Jos in de rij staan om kaartjes en couchettes te bemachtigen voor de
avondtrein naar Izmir. Er stond een lange rij voor hem, maar na een half uurtje
ging het opeens een stuk sneller. De loketbeambten waren namelijk
overgeschakeld op geautomatiseerde apparatuur, zo bleek later. Robbert trachtte
ondertussen onze bagage kwijt te raken in het bagagedepot, maar dat lukte niet.
Eerst moest hij slotjes voor de tassen kopen, anders werden zij niet
geaccepteerd. Ze waren te koop in een kiosk in de stationshal. Robbert kocht
voor het eerst een pakje Marlboro en Jos was bijna door zijn voorraad vloeitjes
heen. We hadden wel nog genoeg shag, de kunst was dus om vloeitjes op de kop te
tikken. Wat we ook deden en waar we ook vroegen, het lukte ons niet.
We liepen naar het
Ethnografisch Museum en het Kunstmuseum (beelden en schilderijen) die op een
heuvel midden in de stad lagen. Er tegenover stond een joekel van een beeld van
de Turkse vader des vaderlands. In dit museum was ooit Atatürk's tombe gelegen.
We moesten onze tassen inleveren en ontvingen een soort bezoekerskaart met badge
om op te spelden. Binnen was het ondanks alles zwoel en drukkend. Het was er
niet druk. Het interessantste vonden we het vertrek waar alle geschenken lagen
geëxposeerd die kolonel Evren, het militaire staatshoofd, op zijn officiële
bezoeken aan andere landen van staatshoofden heeft ontvangen. Ook bij de
collectie moderne schilderkunst waren enkele werken die het bekijken waard
waren. Jos moest zo nodig (vandaag was hij de pineut met stoelgangperikelen) en
snelde naar achteren.
 |