|
|
Vrijdag, 2 augustus
|
![]() |
![]() |
In Bitlis stopten we voor het eerst. We aten snel een kleinigheid (lekkere schapenvleesbouillon!) en gingen weer op weg. Hoe zuidelijker we kwamen, hoe lager de bergen werden. In Silvan volgde een tweede stop. De temperatuur was inmiddels opgelopen tot naar schatting 40 graden. We pauzeerden op een theeterras, waar Jos de belangstelling trok van een debiel lijkend jongetje. Hij was tevens doofstom, zag er afgrijselijk verwaarloosd uit. Hij had een bloedneus en verscheidene stinkende zweren over zijn gehele lichaam. Hij kuste Jos op zijn arm en stootte allerlei onverstaanbare klanken uit. Hij wilde samen met de vreemdelingen een glaasje thee drinken. Betalen deed hij zelf; hij viste een bundel 100 lira ‑ biljetten uit zijn smoezelige broek (waarschijnlijk zijn bedelopbrengst). Hij werd echter bruut verjaagd door het bedienend personeel. Toen hij daarna toch nog hardnekkige pogingen deed om met ons in contact te komen, werd hij letterlijk weggetrapt en geslagen. Dit werd zelfs de Turkse theedrinkers te gortig en zij protesteerden dan ook. Jos moest het snot wegvegen van zijn arm, waar het arme joch (dat ook nog een speen in zijn mond had!) rijkelijk had gekwijld.
Na Silvan werd het landschap vlakker, maar sterker geërodeerd. Al gauw bereikten we het weidse dal van de Tigris In de verte aan de overkant van deze Bijbelse rivier schemerde Diyarbakir op de rotsen. We hadden er 400 km opzitten met een rustige chauffeur. Enkele malen werden we aangehouden door de politie, de militairen of de marechaussee. Ze vroegen dan om water of lieten een vriendje instappen.
CITAAT |
|
"Wij maken grote reizen om dingen te zien waarop wij in onze woonplaats geen acht slaan." |
Plinius |
Op de otogar gaven we een taxichauffeur opdracht ons naar een redelijk hotel te brengen. Het werd Hotel Arslan, gelegen vlakbij de basalten stadsmuur. Het was bloedheet in de stad; het kwik liep op tot 45 graden in de schaduw. Volgens de Turken was het de heetste zomer sinds twintig jaar. In het hotel legden we ons onmiddellijk te ruste. Om een uur of vier moesten we geld gaan wisselen en daarvoor hadden we onze paspoorten nodig die we bij de receptie hadden moeten afgeven. Het had heel wat voeten in de aarde om die terug te krijgen. Bij de banken werden we echter van het kastje naar de muur gestuurd, of door de zwaarbewapende wachtposten, of door het baliepersoneel. Nergens wilde, kon of mocht men onze travellers cheques inwisselen. Jos werd steeds bozer en gaf daarvan in het Turks ook blijk. Eindelijk, na zo'n 10 pogingen. hadden we geluk. Op de valreep (sluitingstijd van de week: vrijdagmiddag om 5 uur!) was men bij de Ici Bankasi (Arbeidersbank) genegen om ons te helpen, maar dat moest dan wel gebeuren bij het gebrekkige schijnsel van gaslampen die op de balie stonden. Diyarbakir werd namelijk weer eens getroffen door een stroomstoring. Ook in het hotel viel vaak de elektriciteit uit of was er geen stromend (laat staan warm) water. In de bank, die zeer zwaar werd bewaakt, hoorden we de reden van onze moeilijkheden om aan geld te komen. Het betrof volgens de beambten een regeringsmaatregel uit Ankara, dat graag een oogje in het zeil houdt bij het geldverkeer in het opstandige Koerdistan.
Het verhaal van de Koerden en andere minderheden |
Diyarbakir wordt door velen beschouwd als de officieuze hoofdstad van Koerdistan, dat al eeuwen vecht voor onafhankelijkheid. Vele Koerden zitten dan ook in hechtenis (de stadsgevangenis van D, heeft een capaciteit van 3.000 geïnterneerden, maar ze is volgepropt met 10.000 Koerdische separatisten, militanten, revolutionairen. rebellen, vrijheidsstrijders. terroristen en wat dies meer zij...) of voeren een verbitterde gewapende strijd vanuit de moeilijk toegankelijke bergen. De Koerdische bevolking is aan allerlei beperkende en discriminerende regels onderworpen: zo mag er op straffe van gevangenis in het openbaar geen Koerdisch worden gesproken, is hun het recht van vereniging en vergadering verboden en krijgt de regio de minste industrie. scholen en subsidies van het centralistische gezag dat in Ankara zetelt toebedeeld. Met buitenlanders zoals wij durven Koerden soms zelfs zonder schroom over die wantoestanden te praten, maar in het bijzijn van echte Turken wordt politiek als gespreksonderwerp angstvallig gemeden. Het woord "Kurdistan" zelf is trouwens uit de Turkse woordenschat geschrapt en vervangen door Oost-Anatolië of Oost‑Turkije en de mensen zijn omgedoopt tot "Bergturken". Dat die aantasting van eigen identiteit kwaad bloed zet behoeft geen betoog. We hebben dagelijks uitingen daarvan ondervonden.De Koerden, die de Islamitische godsdienst belijden, wonen reeds 2.000 jaar in dit onherbergzame gebied. Zo'n 1.000 jaar langer dan de Turken bijvoorbeeld en even lang als de Armeniërs, die na verscheidene bloedige vervolgingen (men spreekt wel eens van "genocide", volkerenmoord: in 1915 anderhalf miljoen slachtoffers) nu in alle windrichtingen zijn verspreid. Ook de Armeniërs eisen hun aandeel in terroristische acties op; hun voornaamste doelwit wordt gevormd door Turkse diplomaten en attachés in het buitenland. Wraakzucht is vaak hun enige motivatie. Grote groepen Armeniërs zijn geconcentreerd in Californië en Frankrijk. |
|
|
Terug naar .........Diyarbakir, de stoffige provinciestad van 2.500 jaar oud, telt meer dan 300.000 inwoners. |
We verlieten opgelucht de bank en maakten een wandeling rond de stadsmuur, totdat we voor muren en ravijnen stuitten. Via oude stadskwartieren trachtten we het centrum van de stad te bereiken. In die wijken werden we met stomheid geslagen door de onafzienbare horden kinderen die er speelden, holden, zaten, kropen, lagen, bedelden, sprongen, schreeuwden, handelden, huilden, lachten, werkten. Wij als twee westerse toeristen werden als buitenaardse wezens beschouwd. Veel keken ons aan alsof zij water zagen branden. Het gerucht van onze komst in de wijk deed snel de ronde en vanuit alle hoeken en gaten stroomden drommen kinderen toe om ons te begapen. Velen riepen ons ook toe in het Engels (Goodbye, Hello, What's your name? en dergelijke). Robbert vond vooral de jongetjes met hun koolzwarte, olijk twinkelende oogjes en kaalgeschoren kopjes allervertederendst, terwijl Jos meer oog had voor de fleurig geklede en met lange haren begiftigde meisjes met hun schuwe blikken.
|
|
Ons viel op dat deze kinderen ons niet lastig vielen om aalmoezen en dergelijke. Dit volk is daar waarschijnlijk te fier voor, wat natuurlijk niet automatisch wil zeggen dat zigeuners die bedelen gèèn fier volk zouden zijn. Via smalle steegjes (soms donker en verlaten, dan weer druk en levendig) van eeuwen oud geraakten we toch in het centrum. In de bazaar dronken we thee en spraken we met een uit Duitsland gerepatrieerde Turk (of Koerd, wie zal het zeggen) die met zijn oprotpremie een schoenenzaak had opgezet. De haveloze schoenpoetsertjes waren ons tot in het theehuis gevolgd, maar werden er geweerd. Klandizie is heilig hier. In een ander gedeelte van de overdekte markt kreeg Jos het in het Turks aan de stok met een naar zijn mening al te opdringerig optredende jonge tapijtenverkoper. Het liep gelukkig met een sisser af. We slenterden naar een ander gedeelte van de stad, waar we de muren en een van de vele stadspoorten bezichtigden. Onderweg dronken we sloten frisdranken en thee: de weersomstandigheden leken ons hier uit te knijpen als een citroen. Het verloren gegane vocht moesten we dus tijdig aanvullen, maar dit mocht vaak niets baten, want 5 minuten na een verkwikkende dronk begonnen onze kelen opnieuw te schroeien van de onlesbare dorst. |
Het zal dan ook geen verbazing wekken dat we na een kort oponthoud in een theetuin die aan de stadsmuren was gelegen terecht kwamen in een "birahane" vlakbij ons hotel. Het was een rokerig en lawaaierig hol, met posters van Elvis aan de muren en muurgrote natuuraffiches. Er heerste een broeierige, klamme atmosfeer. Na enkele ogenblikken gutste het zweet ons al tappelings van het voorhoofd en plakten de kleren aan ons lijf. Het bier bracht daar geen verbetering in, zo lauw als het was. We ontmoetten er twee Koerden, waarvan een leraar Duits was. Hij vertelde wrang dat zijn moeder gevallen was onder de moordenaarshanden van de in het wilde weg schietende Turkse onderdrukker. Hij nam geen blad voor de mond en bepleitte in redelijk Duits de Koerdische zaak. Zijn neef, een zwaar besnorde reus, was al jaren werkloos en leefde op kosten van de grootfamilie. Nadat het tweetal was vertrokken kregen we "Anschluss" met een jonger duo, beide modern gekleed. Ze spraken alleen Turks en draaiden naar hartelust sigaretjes van Robbert en eindelijk ook eens van Jos zijn Zware van Nelle, waarvan ze dachten (of hoopten?) dat er hasjies in zat. Ze vertelden over een Nederlands meisje dat ze hadden leren kennen en lieten een foto van haar zien. Wie schetst onze verbazing toen we op de foto hetzelfde Indo‑meisje herkenden dat we op de foto van de Koerd in het café in Dogubeyazit hadden gezien? Onze landgenote moet wel bijzonder actief in deze contreien te keer zijn gegaan!

De jongens boden ons wat fruit aan. In Turkse cafés wordt veel fruit gegeten, dat schijnt te horen bij een glas bier of een glaasje raki. Lui die dit niet doen worden er eigenlijk als een soort barbaren beschouwd. De hapjes bestaan vaak uit meloen, pompoen, peer, stukjes vlees en gehakt, druiven, olijven, aubergine en dergelijke. De klandizie bestaat louter en alleen uit mannen in de leeftijd van 20 tot 40 jaar. Jongeren komen er niet, want die kunnen het relatief dure bier niet betalen. Frisdranken worden er uiterst zelden geserveerd. Als extra service voor de Turken (die zich doorgaans thuis geen t.v. kunnen permitteren) staan er voortdurend 3 à 4 t.v.‑toestellen en videorecorders aan. De videoproducties zijn overwegend sentimenteel en nationalistisch van aard. Geweld viert erin hoogtij: berovingen, "crime passionelles", bloedwraak. De Liefde is er zoet en aan het einde van de film zal blijken dat het recht eens te meer heeft gezegevierd. Kortom, films waar wij doorgaans van walgen, maar hier vonden we die best interessant.
Buiten was het behoorlijk afgekoeld en eindelijk aangenaam. We besloten nog wat te wandelen. Bij een monument van Atatürk stonden twee schildwachten. Jos maakte met hen een praatje over hun werk. Ze kwamen uit Ankara en Adapazari; zoals te verwachten aan de andere kant van het land. Elke dag kregen zij een ander object om te bewaken: banken, overheidsgebouwen, monumenten en dergelijke. Op een gegeven moment kwam er een oude, schijnbaar beschonken Koerd voorbij lopen. Hij begon op de soldaten te schelden, maar deze trokken zich daar niets van aan: op krankzinnigen hoef je geen acht te slaan vonden zij. De soldaat uit Ankara leek ons een erg intelligent baasje. We bekeken de affiches van een bioscoop (we wilden nog eens naar de bios in Turkije!), maar vonden niets van onze gading.
CITAAT |
|
“Wat ben ik gelukkig dat ik mij een Turk mag noemen!" |
Mustafa Kemal (Atatürk) |
Na enig zoeken vonden we het informatiekantoor voor toeristen (VVV‑kantoor, Toerist Information Office) in een buitenwijk. De Duitstalige jongeheer aldaar verstrekte ons allerlei inlichtingen en een kaartje van de stad, waarvan we dankbaar gebruik zouden maken. Volgens de beambte waren er dit jaar veel Nederlanders in Oost‑Turkije op pad, in tegenstelling tot vorige jaren toen het Duits de boventoon voerde. Eigenlijk bevestigde hij nog eens onze indruk tot dan toe. In een verzengende hitte (dus weer elk kwartier vocht tot ons nemen) bekeken we een gedeelte van de stadsmuur dat we nog niet hadden gezien. Natuurlijk weer kinderen in ons voetspoor. Jos deelde wat kauwgom uit. We dronken water van een jochie. Hij had een soort emmer met ijswater bij zich en vroeg 10 lira voor een nap water. In de binnenstad bezochten we een oude karavaanserail en dronken we ayran en "limon" van een verkoper die zich zeer opvallend had gehuld in een op aluminium lijkend ruimtevaartkostuum! Via een minder interessante moskee (als je er één hebt gezien, dan heb je ze allemaal gezien, de schaarse uitzonderingen daargelaten natuurlijk) belandden we in het Etnografisch Museum, dat nogal weggemoffeld lag. We waren de enige bezoekers. We maakten van de gelegenheid gebruik om op de ruim beschaduwde binnenplaats uit te rusten.

Het verhaal van de Engelse Muammer |
In een groep bezoekende militairen die na ons binnenkwam, bevond zich ook een Turkse Engelsman, waarmee we een gesprek aanknoopten. Hij was op 15jarige leeftijd verhuisd vanuit Istanbul (zijn vader was koopman) naar Birmingham, waar hij de Technische Hogeschool met succes had doorlopen. In Cyprus werd hij tijdens werkzaamheden voor zijn bedrijf door de Turkse autoriteiten opgemerkt als zijnde Turk, waarna hij werd verplicht om 18 maanden in het Turkse leger te dienen. De inmiddels 30 jaar geworden Engelsman (want dat was hij echt geworden) moest vrouw en kind achterlaten in Engeland en in de schroeiende hitte van de Syrische woestijn zijn diensttijd als gewoon soldaat uitzitten. Hij baalde daar behoorlijk van en wilde dat weten ook. Zijn maten, die geïnteresseerd stonden toe te luisteren, maar geen klap konden verstaan van het door ons gebezigde Engels, waren eenvoudige boerenjongen. Muammer legde ons nog een en ander over het militaire dienstsysteem in Turkije uit, onder andere de kleuren van de ronde onderscheidingstekens op de petten. De betekenis van die "buttons" zijn we alweer vergeten. Muammer, die nog 80 dagen moest dienen voor hij zich weer met vrouw en kind kon verenigen, voegde ons bij het afscheid toe: "I hate this town!" De begeleidende sergeant lachte maar eens onbegrijpend. Wij bleven nog even en genoten van het lekkere water van de bron die in het pand lag. Het museum was vroeger een soort patriciërshuis, en nog vroeger een soort Koranschool. |
13.30 uur. We gingen weer op pad. We kochten na wat onderhandelen allebei een riem aan een stalletje op straat. De venter had echt schik in het Turks van Jos. Ook hadden we wat bekijks van passanten. Bij een soort reisbureau reserveerden we onze reis naar Kahta voor de dag daarna. In een theetuin schreven we kaarten naast een klaterend fonteintje. Robbert voelde zich echter onwel en vertrok alvast naar het hotel om te poepen en te rusten. Jos bleef nog zitten schrijven en kwam in contact met een drietal bijdetijdse Turkse meiden van rond de 18 jaar. Ze hadden een kleuter bij zich, speelden ongegeneerd het mannenspel "tric‑trac" en een ervan, Nurdal, geheten en dochter van een kapitein bij de politie dronk zelfs bier.
Lekker douchen
(ijskoud!) en gaan eten: döner kebab. Opnieuw een bioscoop opgezocht om het
programma te bekijken. Het betrof hier een Italiaanse softporno productie
(Turkije raakt echt geliberaliseerd op dit gebied! Je moet de bevolking toch op
een of andere manier koest houden. Nero, die oude Romein, wist het al: geef het
volk brood en spelen!), maar dat was aan ons niet besteed. Trouwens, de
aanvangstijden kwamen ons ook niet goed uit. Alweer een theetuin dezelfde van
die middag. Robbert schreef de kaarten die hij niet had afgekregen. Jos raakte
in contact met een Turkse moeder met 3 kinderen. Necmiye, de moeder, was enkele
jaren weduwe en leek er voor een Turkse nogal libertijnse opvattingen op na te
houden: stel je voor, praten met een onbekende man in het openbaar! Gezegd dient
te worden dat de kontakten voornamelijk onderhouden werden door haar kinderen,
waarvan Yaprak (het oudste meisje van 12 jaar) het leeuwendeel voor haar
rekening nam. Het waren leuke kinderen, drie meisjes, waarvan de jongste Asli
met haar lange haren al eens een keer in een reclamespot voor shampoo had
geacteerd. Het andere meisje (9 jaar) zong met een zilveren stemmetje liedjes
voor ons. Necmiye was 29 en werkte op een kantoor van het Staatsbosbeheer (tot
onze verbazing, want in deze omstreken hebben we geen enkel bos kunnen
ontwaren. Misschien wordt wel bedoeld Staatsstruikbeheer ... ). We wisselden
adressen uit en beloofden elkaar te schrijven en cadeautjes te sturen. Bij
thuiskomst lagen bij Jos al twee brieven van de familie Tatli (zo heetten ze) te
wachten. Jarenlang heeft hij met hun in het Turks gecorrespondeerd.
21.00 uur. We begaven ons naar het postkantoor, waar het buiten verwachting erg druk was. De volgende stap in ons avondvullende programma was een bezoek aan de birahane van de vorige dag. Het bier was er weer even lauw, maar als je echte dorst hebt drink je alles. Deze keer ontmoetten we een zekere Haci een soort Koerdische "undercover" agent (verklikker van de politie), die ons na enige tijd uitnodigde om mee te gaan naar een bruiloftsfeest van zijn boezemvriend. Dat zagen wij wel zitten. Na een wandeling door lugubere steegjes kwamen we uit op een felverlichte binnenplaats, waar wel honderden gasten aanwezig waren. Opvallend detail: alleen maar mannen of jongens. De vrouwen waren ook aanwezig, maar zaten bovenop de belendende blinde muren en keken op het feestgedruis neer. Onze aanwezigheid werd via de microfoon aangekondigd en we werden als speciale buitenlandse gasten welkom geheten. Er werd hier en daar zelfs geapplaudisseerd. Er zat een orkest met mechanisch versterkte Turkse muziekinstrumenten (saz, davul en zurna, d.w.z. een soort gitaar, een soort trom en een soort klarinet) en er werd gedanst. Jos danste samen met zijn nieuwbakken vriend Haci de "beerdans", vergelijkbaar met een polonaise ‑ horlepiep, maar dan alleen uitgevoerd door mannen onderling. Op een gegeven moment stond hij er alleen voor, terwijl honderden ogen op hem waren gericht; sommige geamuseerd, andere meer kritisch. Hij kreeg van een van de gasten een 500 lira biljet tussen zijn lippen gedrukt, een gebaar dat van instemming getuigt. Hij gaf de gift maar aan een begerig toesnellend kind.
Plotsklaps ontstond er paniek in de rijen van de genodigden. Er scheen een politie‑inval op komst te zijn. Duwend en dringend zochten velen een veilig heenkomen, maar gelukkig liep het niet zo'n vaart. Er verschenen inderdaad politieagenten ten tonele (bij de ingang), maar die ontvingen zoveel steekpenningen dat ze maar van hun overval afzagen. Het feest ging daarna dus gewoon door, maar zeker de helft van de aanwezigen was inmiddels weggevlucht en keerde niet meer terug. We dronken nog een fles raki (die we zelf betaalden aan een speciale loopjongen; onze bijdrage, respectievelijk "cadeau" aan het bruidspaar) met de omzittenden en bekeken het ritueel waarmee de handen van de bruidegom besmeerd worden met hete kleurstof, "henna" geheten. Om half een hadden we het wel gezien. De bruiloft liep ten einde. Haci begeleidde ons naar het hotel, bezwoer ons nog twee dagen te blijven om de rest van de festiviteiten mee te maken (wat we beleefd afsloegen), kusten elkaar ten afscheid en beloofden elkaar te schrijven.
![]() |
![]() |