|
|
Zaterdag 27 juliRuimschoots op tijd voor het vertrek aanwezig op de otogar. De maatschappij heette “Tanri Verdil” ("Door God Gegeven"). De uitvalsweg die ons langs onafzienbare sloppenwijken voerde kwam uit op de hoogvlakte. Daar begon de lange en vervelende reis pas echt. Dag 5De service tijdens de lange reis was goed. Als teken van welkom en om ons goede reis te wensen werden onze handen bij de afvaart in Ankara en na elke stop met eau de cologne, besprenkeld. Dit gebruik was ook bij andere vervoersmaatschappijen in zwang. Regelmatig werd de lucht in de bus met een spuitbus ververst. Enkele malen kregen we gratis glaasjes thee en flesjes gekoeld bronwater aangeboden. Ook onze Turkse medereizigers lieten zich niet onbetuigd en boden ons herhaaldelijk zoetigheid, fruit en natuurlijk sigaretten aan. (Turkse mannen roken opvallend meer dan Nederlandse). Naast ons zat een jonge Turkse in spijkerbroek die alleen op reis was. Naast haar zat een zielige, praktisch volledig gesluierde vrouw voortdurend zachtjes voor zich uit te snikken. Ze werd door de moderne Turkse getroost, een heel kontrast. We konden ons niet onttrekken aan de symboliek van dit tafereeltje. Onderweg was weinig te zien of het moesten de enorme vuren zijn die op de akkers brandden. Soms konden we de tientallen lichtjes van combines die ‘s nachts doorwerkten ontwaren. Tweemaal werd de bus aangehouden door militairen en politie in burger. Ze hadden het vooral op onze identiteit gemunt. Met name onze paspoorten wekten nogal argwaan vanwege het verwarring zaaiende "Koninkrijk der Nederlanden" i.p.v. (bij ons weliswaar niet correcte) Holland. De omschrijving "Holland" is in Nederlandse paspoorten nergens te ontdekken. Een dag later ontdekten we de reden van de verhoogde waakzaamheid en verscherpte controle van het politieapparaat. Men hoopte de dader van een moordaanslag op een Jordaanse diplomaat zo te kunnen aanhouden. We weten niet of ze daarin zijn geslaagd. Op onze route naar het Oosten lagen de volgende plaatsen: Kirikkale ‑ Yozgat – Qalatli - Sivas ‑ Zara – Erzincan - Akkale ‑ ERZURUM
We hadden een ruime rustpauze in Erzincan, een grote plaats waar de eigenlijke bergen beginnen. Het was al een tijdje licht. We waren erg slaperig; we hadden in de bus weliswaar af en toe een uiltje geknapt, maar door het hotsen en botsen van de bus op de soms erg slechte wegen kon van een echte gezonde slaap geen sprake zijn. Aankomst in Erzurum. In de verte schemeren de bergen. Een taxichauffeur zet ons af bij een middenklassenhotel, het Ornek Hotel. In het hotel wonen veel gasten uit Iran, en niet zoals we abusievelijk dachten uit Ierland (in de straten stikte het van de auto's met het landkenteken IR). De Iranese vrouwen waren zonder uitzondering gesluierd. Zelfs in het buitenland droegen ze de "chador", voorgeschreven door Khomeiny en kornuiten wel te verstaan, niet echt door Allah. Aanvankelijk dachten we dat ze vluchtelingen waren, maar later kwamen we er achter dat het hier gewone toeristen betrof. Vreemd, toch bleven ze bijna de gehele dag in hun kamer.
Overmand door de vermoeienissen van de nachtelijke reis legden we ons te ruste. Na dit uit de hand gelopen middagdutje namen we een verfrissende douche en gingen we de stad verkennen. Er was nauwelijks gemotoriseerd verkeer op de straten; paardenkarren daarentegen reden af en aan. De bevolking in dit gedeelte van Turkije is beduidend armer dan die van meer in het Westen gelegen gebieden. We wandelden de buurt in. Er was markt geweest en de boeren uit de omstreken die er hun schamele waren (vooral groente en fruit) hadden aangeprijsd, haastten zich nu huiswaarts met hun scharminkels van paardjes en hun gammele, maar soms heel aardig beschilderde wagens. We belandden in een birahane. De cafés hier zijn erg gericht op louter bier drinken. Deze was uitgerust met een laag plafond, lage zitjes (blokken hout) en een tapinstallatie, merk "Löwenbräu”. We maakten er kennis met Cinasi A., werkzaam in een Italiaanse pizzeria in Den Haag en nu op vakantie in zijn geboorteplaats. Hij wist ons allerlei interessante dingen te vertellen over corruptie van artsen in Turkije, een praktijk waaraan hij zelf trouwens had meegedaan. In ruil voor een ziekverklaring (gefingeerd uiteraard) had hij de rekeningen van de arts bij verschillende middenstanders voldaan. Een indirecte vorm van het verstrekken van steekpenningen dus. Ook vertelde hij over het militaire dienstsysteem. de manier waarop hij aan zijn echtgenote gekomen was en over de worstelwedstrijden die de dag daarna in Pasinler (een stadje in de buurt) zouden plaats vinden. Hij zou ons helpen met het vinden van de juiste bus. Buiten regende het pijpenstelen; de eerste en enige stortbui die we in Turkije meemaakten.
We waren afgezakt naar het heel wat modernere centrum. In een gezellige club dronken we een laatste pint. Op de terugweg naar het hotel brachten we een bezoek aan een bakkerij. Deze broodfabriek werkte op volle toeren en verschafte aan acht mensen werk. We werden met open armen ontvangen. De bakker en zijn knechten legden het werk stil om sigaretjes te draaien. We kregen een kleine rondleiding; per dag werden hier 10.000 broden gefabriceerd. Erzurum (uit het Arabisch "Arzar‑Rhum", hetgeen betekent de "Poort naar het Westen") stamt uit de 9e of 10de eeuw.Zondag 28 juli
Dag 6We wachtten die morgen een half uur tevergeefs op de afgesproken plaats op Cinasi. We informeren in een cayhani (theehuis) waar de bus vertrekt. Na enig zoeken vinden we de plaats van vertrek. De streekbus vertrekt naar Pasinler, ook wel Hasankale (het kasteel van Hassan) genoemd vanwege de burcht die er ligt. Na een reis van 30 km komen we om kwart over elf aan. Een in lompen gehulde jongen van 19 (die er eigenlijk uitzag als iemand van 14) bracht ons stilzwijgend naar het stadion waar de worstelwedstrijden plaatsvonden. We passeerden een stoffig wijkje waarin het graan in aardewerken maalinrichtingen werd gemalen. We gaven de jongen een kleinigheid voor zijn diensten. Het was een heel gedrang bij de ingang van het stadion. Wij als enige toeristen werden echter met alle egards en uiteraard bij voorrang toegelaten. De entree was naar Turkse begrippen erg duur: fl 6. De wedstrijden vonden plaats op het voetbalveld (een zandvlakte), waarop men een ring van graszoden had geïmproviseerd. Het was er druk en iedereen zat op de staantribune. Er heerste een ontspannen sfeer. We kregen verschillende keren meloen en nootjes van het ons omringende publiek aangeboden. De zon brandde weer eens onbarmhartig. In het strijdperk vochten twee paren tegelijk; de deelnemers hadden als enige kledingstuk een halflange vetleren broek aan. De wedstrijden zelf vonden we niet zo interessant, wel de ambiance zoals de ceremonie van "beerdansen" die aan de krachtmetingen voorafging, De winnaar van het toernooi werd uitgezonden naar de Nationale Turkse Kampioenschappen in Kirikpinar bij Edirne. Daar wordt gestreden om de eer en de Gouden Riem. Naast de arena was een grote nomadentent opgeslagen. Er waren ook artsen aanwezig.
We lieten het strijdtoneel achter ons. Cinasi spraken we ook nog; hij beweerde dat plotseling familiebezoek hem verhinderd had onze afspraak na te komen. Terwijl we naar het dorp terugliepen, werden we gevolgd door een troep kinderen die ons als een bezienswaardigheid beschouwden. Midden op straat sprak Jos een stijlvol geklede heer aan, die ons uitnodigde voor een glaasje thee. Ihsan was zijn naam: hij werkte als röntgeloog in Ankara op het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Tuberculosebestrijding (en wij maar stug doorroken in zijn bijzijn). Ihsan was in Pasinler op vakantie bij zijn moeder. Hij was erg voorkomend.
Na met Ihsan adressen te hebben uitgewisseld haalden we op het nippertje de bus naar Erzurum. In de bus maakten we kennis met de conducteur, een 22‑jarige jongeman waarmee Jos een heel gesprek in het Turks voerde. Deze Engin nam ons, eenmaal in Erzurum aangekomen, mee naar een soort lunchroom. Op zijn kosten dronken we thee en aten we vreemdsoortige koekjes. De eigenaar van de "pastahane" kwam bij ons zitten. Zijn jongere broertje had even eerder slaag gekregen omdat hij het gewaagd had ons in het Duits aan te spreken. Zijn videorecorder was van Nederlandse makelij (Philips) en vertoonde kuren. Wij als Hollanders, zo redeneerde hij, zouden het apparaat wel in een wip weer aan de praat kunnen krijgen. Het kostte nogal wat moeite om uit te leggen dat dit onmogelijk was. Overigens, het ding was gekocht in Zwolle, door een vriend. Na het bezoek aan bovengenoemd etablissement liepen we naar een van de weinige trekpleisters van Erzurum, de Cifte Menare Medresse, een vroegere Koranschool in Seldsjoekische stijl. Eindelijk kwamen we daar westerse toeristen tegen (Nederlanders en Duitsers).
Terug naar het hotel. We bij de receptietelefoniste verbinding met broer Clim in Nederland aan. Na een half uur komt de aansluiting tot stand. Clim heeft geen alarmerende berichten van het thuisfront te melden. We spreken ongeveer 3 minuten.
Opnieuw gingen we de stad in. We zochten vergeefs naar een geschikte pet voor Robbert, maar een dergelijk grote maat was zelfs in het boerse Erzurum niet in voorraad. De zoon van de koopman sprak wat Engels en informeerde naar de mogelijkheden van werk in Nederland. Jos stelde hem met zijn ontwijkende antwoord hevig teleur. We aten in een kraakheldere lokanta die gedreven werd door gerepatrieerde Duitse Turken. Toch iets in Duitsland geleerd. Maandag 29 juli
Dag 7Opstaan en afrekenen. Robbert had inmiddels last gekregen van zijn stoelgang en ging ook hier weer eens de toestand van de toiletten aan een nader onderzoek onderwerpen. Hij zou dat nog vele keren doen de komende dagen. Jos had gelukkig voor hem (tegen de verwachting in) nog nergens last van. Voor een laatste keer keerden we terug naar het hotel om onze achtergelaten bagage op te pikken.
|