Zondag 4 augustus
|
|
|
“Wie zijn huis
niet verlaat en niet het ganse met zovele wonderen gevulde land in ogenschouw
neemt, die gelijkt de kikvors in de waterput."
|
Chinees gezegde
|

De bus vertrok om
twaalf uur en reed door een zeer droge, armoedige streek. Tussen de kale rotsen
hield zich hier en daar een schaapsherder met zijn schamele kudde op. De
dorpjes bestonden uit een ordeloos samenraapsel van lemen bouwsels en stoffige
paadjes en hun bewoners droegen kleding tot op de draad versleten. De zon
brandde meedogenloos op de kale rotsachtige bodem. Het leek hier wel op Death
Valley! Via Siverek bereikten we het mooie dal van de bekende rivier de Eufraat.
Ook daar stopten we om bij een bron water te drinken. Onze Turkse medereizigers
hadden daar alleen oog voor een Duitse toeriste, wier schaamhaar uit haar
bikinibroekje puilde en dat in een land als Turkije! Zij deed alsof zij dat
niet in de gaten had. Voor ons in de bus zaten Fransozen die er lustig in hun
taaltje op los brabbelden, ervan overtuigd dat toch niemand hun kon verstaan.
Bij het uitstappen keken ze echter op hun neus, toen Jos hen in hun eigen.
dierbare taal uitlegde waarom er werd gestopt.
 |
 |
14.45 uur.
Aankomst in het godvergeten Kahta, een dorpje dat aan de grens van Koerdisch
gebied ligt. Direct werden we omringd door duister ogende elementen met
onbekende bedoelingen. De eigenaar van het Kommagenehotel stond ons al op te
wachten met enkele paardenwagens: hem konden we niet missen. Jos reed met hem
mee in zijn auto, terwijl Robbert prinsheerlijk op de kar zat en het paardje
liet zwoegen. Mahmut Arslan, een van de twee broers die het hotel uitbaatten,
sprak zowel Engels als Frans, een unicum in deze geïsoleerde contreien.
Tegen zessen
liepen we terug naar het dorp. We hadden daar veel bekijks. We dronken er thee
tussen mannen die broeken droegen waarvan het kruis tussen hun knieën hing, de
zogenaamde "salvar"‑broek. (Is inmiddels ook in zwang gekomen bij modieuze
westerlingen) We aten in een onooglijk en smerig restaurantje dat op de eerste
etage van een onbestemd pand lag. Robbert moest naar de w.c. en werd door een
bediende naar de andere kant van het dorp gevoerd. Het betreffende toilet
herbergde duizenden vliegen en was zelfs te goor om er te poepen!
19.30 uur. Opnieuw
op het terras van het hotel. Robbert besloot al vroeg naar boven te gaan om nog
wat te rusten, want we zouden die nacht om 2 uur met het busje naar de bergen
vertrekken. Bovendien voelde hij steken in zijn buik en werd hij geteisterd door
diarree. Jos vroeg een telefoongesprek aan met Nederland. Terwijl hij buiten
wachtte, oefende hij zijn Frans met een gastarbeider uit Caen en een Zwitsers
paartje uit Lausanne. De Zwitsers maakten een zelfde tour door Turkije als ons,
alleen in tegengestelde richting. Om een uur of tien kreeg Jos contact met
Nederland met zijn broer: dat bleek achteraf, maar Clim hoorde louter Turks
gebral uit de hoorn komen. Jos hoorde net als Clim alleen radde, Turks sprekende
stemmen, misschien wel tien verschillende! Bovendien werd hij en de telefonist
in hun gesprek gestoord door een onbehouwen Hollander die op hoge toon
handdoeken eiste waarop hij helemaal geen recht had,omdat hij op de naast het
hotel gelegen camping verbleef met zijn reisgezelschap van de Sindbad Tours. De
sportieve trekkers van Sindbad maakten namelijk illegaal gebruik van de
voorzieningen van het hotel. Ze maakten het zelfs zo bont dat ze nieuwe rollen
toiletpapier eisten, terwijl ze zelf met grote rollen keukenpapier onder hun
armen rondliepen. Het bedienend personeel wond zich daarover mateloos op en
terecht. Ik voelde me genoodzaakt hen uit te leggen dat ik weliswaar ook
Nederlander was, maar me beslist niet met hun verwant voelde. Ik schaamde me
namelijk. Kamer 207, de kamer van de Sindbad‑BUS (!) Later bleken we tot ons
groot genoegen Sindbad een hak te hebben gezet: daar we Nederlanders waren
hadden de obers verondersteld dat wij bij die groep
hoorden en dus al onze consumpties op hun rekening gezet! Het spreekt vanzelf
dat we dat misverstand niet hebben rechtgezet. Tegen een uur of elf sjokte ook
Jos naar boven, maar van slapen kwam niet veel. Hij was bang dat wij niet tijdig
zouden worden gewekt. Maar die angst bleek ongegrond. Precies om twee werd er
tweemaal bescheiden op de deur geklopt.
Onze reisroute die
dag: DIYARBAKIR ‑ Karacadag_‑ Siverek ‑ KAHTA
CITAAT
|
|
"Evenals het
Spaanse spreekwoord zegt: "Wie de rijkdommen van India thuis wil brengen, moet
de rijkdommen van India in zich hebben",
zo is het ook met reizen: een mens moet
kennis in zich hebben. als hij kennis mee naar huis wil brengen."
|
Samuel Johnson
|
 |
 |
02.00 uur Nog nooit zo vroeg
op geweest op een maandagmorgen! We dronken thee in de tuin voor we met 5 busjes
tegelijk vertrokken. Ook het gezelschap landgenoten zou meereizen. Tot onze
opluchting konden we plaats nemen in ben busje met een Frans echtpaar met 2
kinderen en nog twee andere Fransen. We hadden dus ruimte genoeg. Het was
aardedonker onderweg en de wegen waren bijna onbegaanbaar. Om 4 uur waren we de
top van de Nemrut Dagi
tot op één kilometer genaderd. Te voet klauterden we de
resterende kilometer de berg op. Om half vijf bereikten we de top, maar we
moesten nog een vol uur wachten voor we de eerste glimp opvingen van de
majestueus opkomende zon in het oosten. We waren niet de enige bewonderaars:
wel 200 toeristen waren deelgenoot van het indrukwekkende schouwspel. En al die
westerlingen sjouwden misschien wel met een half miljoen gulden aan foto‑ en
filmmateriaal rond! Op de berg werden we opnieuw onaangenaam getroffen door de
nietsontziende lompheid van onze landgenoten. Hun stemmen schalden boven alles
uit en alleen zij hadden de gotspe om voortdurend opvallend in de zoeker van de
camera’s van de andere bezoekers te verschijnen, zodat die hun potentieel
prachtige foto's bedorven zagen door protserig in het beeld opdoemende
Hollanders. Op de top van de Nemrut stond een aantal beelden en koppen, die
koning Antiochus daar heeft laten plaatsen rond het begin van de jaartelling.
Het graf van die koning ligt daar ook ergens onder een kunstmatig aangelegde
heuvel. De berg is pas in 1910 her‑"ontdekt".
Maandag 5 augustus
CITAAT
|
|
"Verlaat,
jongeling, uw woonplaats en bezoek vreemde landen: de wereld zal groter voor U
worden."
|
Petronius
|
Dag 14
06.30 uur. Als
eersten daalden we met het busje de berg af. Geïmponeerd door de grandioze
bergwereld koersten we naar een of andere oude vesting. De dorpjes die we
onderweg passeerden ontwaakten net. Alle kinderen zwaaiden naar ons. Armoe troef
in deze streek. Veel voetgangers liepen met kannen en kruiken te sjouwen om
water te halen bij bronnen of putten. Onderweg kregen we gelegenheid om te
ontbijten. We maakten daarvan geen gebruik, zeker niet toen ineens Sindbad
verscheen om op bestelling hun vroege ochtendhap tot zich te nemen. In ons
busje reisden nu ook twee Zwitserse jongens mee, zo te zien echte trekkers die
sober maar gezond leefden.
|
Beelden van Nemrut Dag (nabij
Adiyaman)
Mausoleum van
Antiochus, met beelden van Griekse en Perzische goden
Nemrut Dag is in 1987 op de Werelderfgoedlijst
geplaatst. Dit mausoleum van Antiochus I van Kommagene, dat is
gelegen op de berg Nemrut Dag in Zuidoost-Anatolia, dateert uit de
1e eeuw v. Chr, en vormt een van de meest ambitieuze bouwprojecten
uit de Hellenistische tijd.
Kommagene, een koninkrijk ten noorden van
Syrië en de Eufraat, werd gesticht na de val van het rijk van
Alexander de Grote en onderhield banden met zowel Perzië als
Macedonië dankzij de geografische ligging en afkomst van zijn
heersers (Antiochus I rekende Darius de Grote en Seleucus I Nicator
tot zijn voorouders).
Op de bergtop liet Antiochus een 50 meter hoge
grafheuvel bouwen, te midden van tempelgebouwen op stenen terrassen.
Het is onduidelijk of deze grafheuvel zijn stoffelijk overschot
herbergt. Op het oostterras zijn vijf kolossale zittende beelden van
zo'n 9 meter hoog geïdentificeerd als Apollo - Mithras, Tyche (de
vruchtbaarheidsgodin van Kommagene), Zeus-Oromasces, Antiochus zelf,
en Hercules Artagnes. De beelden op het westterras stellen dezelfde
Griekse en Perzische goden voor, en hier zijn ook bas-reliëfs te
zien. Op beide terrassen zijn de hoofden van de beelden op de grond
gevallen – er komen vaak aardbevingen voor in het gebied – maar
zelfs die zijn ruim 2 meter hoog.
Op het westterras toont de achtergrond van een
stenen plaat, waarop een leeuw staat afgebeeld, een constellatie van
negentien sterren en de planeten Jupiter, Mercurius en Mars, wat
mogelijk wijst op de begindatum van de bouw: 7 juli 62 v.Chr.
Het bestaan van deze locatie bleef onbekend
tot 1881, toen een Osmaans verkenningsteam de afgelegen bergtop met
de beelden tegenkwam. Archeologische opgravingen begonnen pas echt
in 1953, toen een Duits-Amerikaans team een wetenschappelijk
onderzoek startte. |
 |
 |
09.00 uur. We
beklommen de Eski Kale, de zomerresidentie van Koning Antiochus, die op een
vooruitspringende rots lag. Een plaatselijke gids drong zich aan ons op, maar
daar hadden wij noch de andere inzittenden van het busje behoefte aan. Het
begon tegen deze tijd al weer warm te worden. Vanaf onze hoge plek had men een
weids uitzicht op de vallei van het riviertje Kahta. Van het kasteel was niet
veel meer over; wat vage ruines en enkele cisternen (dat zijn waterbekkens die
gevoed worden door onderaardse bronnen). Verder lagen er nog wat grafmonumenten
van verschillende figuren uit de klassieke oudheid. Na het kasteel bezochten we
een Romeinse brug uit de eerste eeuw na Christus. Ze was nog steeds intact en
werd nog gebruikt. Robbert maakte een foto van een
ezelman die ging pootjebaden.
De Fransen begonnen vervelend te doen tegen de Zwitsers, die een koele duik in
het riviertje namen. We bemoeiden er ons niet mee, maar in ons hart gaven we de
jeugdige Zwitserse vagebonden groot gelijk.

|