|


Zondag, 24 juli
Om elf uur waren we toch weer uit de veren, weliswaar met een
spijker in onze kop. Oom achter de balie schudde meewarig zijn hoofd
toen hij Clim zag. Hij voelde aan dat een uitschrobbering over het
nachtelijk rumoer toch zinloos zou zijn en bleef in zich zelf mompelen:
"dün akşam aiaiai, dün akşam aiaiai"("Gisterenavond owee, etc.").
We bezochten de Aya Sophia uit de vijfde eeuw (eerst Byzantijnse
Basiliek, toen Ottomaanse Moskee, daarna Turks Museum), een machtig
gebouw. Er vlakbij aan de overkant van de weg lagen de Cisternen, grote
onderaardse gewelven, ondersteund door bogen en honderden zuilen en
dienend als drinkwaterreservoir in tijden van beleg. We maakten er
foto's, maar die mislukten jammerlijk vanwege de lichtgesteldheid.
Om twee uur scheepten we ons in voor een boottochtje over de Bosporus.
Daar het zondag was waren er veel Turken aan boord voor hun zondagse
uitje. We zaten in het begin alleen, maar allengs werden we van onze
plaats verdrongen door vrouwen en kinderen. Clim gaf geen krimp en deed
alsof hij Duits noch Engels verstond. Jos verstond sommige dingen die
men over ons in het Turks zei wèl. Het was niet al te gunstig en daarom
ging hij maar een eindje wandelen over het dek.
Het schip meerde op de heen- en terugreis meer dan tien keer aan. Dit
kostte ontzettend veel tijd. In het zicht van de Zwarte Zee stapten we
over en voeren terug. Het reisje werd op het laatst vervelend: 30 km op,
30 km af. Aan boord waren alleen thee en koekjes te koop, onze honger
groeide (we hadden nog niets gegeten) naarmate de trip vorderde. Een en
ander kostte slechts f 3,50 per persoon.Om half acht
precies meerden we af bij Karaköy. Onder de nabijgelegen Galata-brug
kozen we direct het eerste het beste visrestaurant uit dat we
tegenkwamen. Duur en slecht, dat was naderhand onze conclusie. Je moet
nu eenmaal niet gaan eten waar het stikt van de toeristen! Jos bestelde
inktvis, Clim hield het bij tong. Samen bijna f20,-.
Met de taxi reden we terug naar het hotel. Daar kon Jos zijn beurs
met L 5.000 niet meer vinden! Verloren of gestolen. dat kon niet anders,
maar waar? We piekerden ons suf, vergeefs. De rest van ons geld en de
cheques hadden we bij de hoteldirectie in bewaring gegeven. Die was
echter op zondag gesloten en dus bleven ook de loketten dicht. Nu waren
we platzak. Na enig soebatten kon Jos L 5.000 (f 160,-) lenen bij de
receptie. Het was een heel geharrewar, Jos in verontwaardigd Turks met
Nederlandse tongval, met enigszins overslaande stem en een rood
aangelopen hoofd. In zo'n situaties amuseerde Clim zich opperbest. |
 |
 |
 |
| |
|
 |
 |
| |
|
AYA SOPHIA: BINNEN EN BUITEN
|
Opnieuw per taxi reden we naar het Taksim-plein aan de andere
kant van de stad. Jos was gewoon om met de chauffeurs praatjes te maken en hij
kwam er achter dat de meeste van buiten Istanbul kwamen en een soort
seizoensarbeid deden, veel verdienden ze niet. Na 7 à 8 maanden keerden zij voor
een half jaar terug naar hun geboortestreek in Anatolië of Oost-Turkije, bijv.
in Erzurum waar een van hun een boerderij had.
 |
 |
Op Taksim stonk het deerlijk naar de walmende uitlaatgassen, vooral van de af en
aan zwoegende, overvolle bussen. Op een mondain en dus duur terras dronken we
een biertje. We maakten een korte wandeling en bleven een tijdje staan kijken
naar een troep voetballende jongens. Daar klampte een zwartwisselaar ons aan,
hij bood per dollar L 250, officieel was de koers 220 per dollar. We sloegen
zijn aanbod af. Jos informeerde bij het super de luxe Etap-hotel naar de
prijzen. Nogal gepeperd zeg, 120 dollar per nacht, bijna
f 400 Hij maakte gauw dat hij weg kwam. Met een dolmuş (soort taxi die pas
vertrekt als hij helemaal vol is) kwamen we weer aan de overkant van de Gouden
Hoorn. Zo'n dolmuş is goedkoop vervoer ( f1,- p.p.), een taxi is vijf keer zo
duur. De bus is natuurlijk ook goedkoop (ongeveer een kwartje), maar die komt
niet overal en is erg ongemakkelijk (als haringen in een ton!). Een dolmuş heeft
wel vaste routes. Bij de Iraanse Ambassade lieten we ons afzetten. Zij werd
zwaar bewaakt door gewapende wachtposten. Deze laatste zagen we vaker in het
straatbeeld opduiken (vooral bij banken en ambassades), daar waren we inmiddels
aan gewend geraakt. Het liep tegen middernacht. Terug in het hotel sloegen we
weer wat mineraalwater in om te mixen met de raki. Die nacht brak boven de stad
een enorm onweer uit
.
Het hotel had geen licht wegens stroomuitval en we moesten alles bij kaarslicht
doen. Romantisch, maar lastig. Het noodweer was zo hevig dat iedere tien
seconden een bliksemschicht het luchtruim boven ‘Stamboel' doorkliefde. Voor het
slapen gaan leerde Clim tellen in het Turks: hij was er achter gekomen dat deze
minimale kennis toch wel eens handig zou kunnen zijn. Jos stelde ruwweg een
programma voor de volgende dagen samen en maakte notities voor dit verslag. Nu
werd ook de laatste etenswaar die we uit Roermond hadden meegenomen verorberd,
waaronder eieren en bierworstjes.


|