|
Dinsdag 26 juli
Precies om acht uur werden we gewekt. In de lounge dronken we thee. We hadden
genoeg tijd, want onze tassen hadden we 's nachts al ingepakt. Voor buitenlandse
kranten waren we te vroeg, waardoor we van het laatste nieuws van de Tour de
France verstoken bleven. In het Turkse binnenland, waarheen we op weg waren,
zouden we zeker geen berichten over de Tour kunnen krijgen. Terug in Nederland
hoorden we voor het eerst dat Fignon zijn gele trui met succes verdedigd had.
Om kwart voor elf was de bus vol en werd het startsein gegeven. Via de rondweg
bereikten we de Bosporus - hangbrug. In Usküddar stopten we nog even, daarna
ging het full speed richting Zonguldak aan de Zwarte Zee - kust, een rit van om
en nabij de 300 km.
Rondom Istanbul (tot zo'n 15 km verder) waren de meeste heuvels bebouwd met
krotten of half afgebouwde woningen. Turken bouwen in fasen; geld op, dan wordt
de bouw gestaakt, soms voor jaren. Weer geld beschikbaar, dan wordt begonnen
waar men gebleven was. Het weer was prima. Af en toe reden we langs de kust van
de Zee van Marmara, die tot het industriecentrum Izmit, een stad van 200.000
inwoners, reikte. In Adapazari, waar de Turkse treinstellen gemonteerd worden,
sloegen we linksaf de bergen in. Vlak voor dat, overigens lage gebergte, hield
de chauffeur een rustpauze bij een wegrestaurant. Daar versterkten we de
inwendige mens. Tot aan de kust volgde een prachtig stuk weg, over bergen en
door dalen, met veel natuurschoon en indrukwekkende vergezichten. Clim genoot er
zichtbaar van. Jos was meer verdiept in zijn boek, "De Bot” van Günther Grass.
Bij Eregli bereikten we de Zwarte Zee - kust. Het plaatsje herbergde een aantal
hoogovens. Het water van de zee was niet uitnodigend, grijsgrauw was de
overheersende tint. Via de plaatsjes Akcakoca en Alapli (met minimaal
"strand"-vermaak) trokken we weer de steile heuvels in ten einde Zonguldak
vanuit het binnenland te bereiken.
ZONGULDAK
De aankomst was om half zes. Een busje van de busmaatschappij bracht ons bij
wijze van service tot in het centrum. We werden op ons verzoek bij een goed
hotel afgezet, het “Ay” - Hotel. Een 2 persoonskamer à raison van L 2200 (= f
35,-) per nacht konden we er krijgen. Er liep heel wat personeel rond dat goed
zijn best deed. Niemand sprak echter een andere dan de Turkse taal. Toeristen
kwamen slechts bij hoge uitzondering naar het mijnstadje Zonguldak, 109.000
inwoners tellend. We vormden er daarom een soort bezienswaardigheid. Niemand
begreep wat we hier te zoeken hadden. Wijzelf eigenlijk ook niet.
Om een uur of zeven gingen we het centrum nader verkennen. We slenterden langs
de haven, door parken en bekeken hier en daar een overheidsgebouw. Zonguldak is
een provinciehoofdstad waar de autoriteiten gevestigd zijn. Tevens zijn er
sterke vakbonden vanwege de vele steenkool- en ijzerertsmijnen in de buurt. Die
mijnen hebben een slechte naam in de wereld. Uit economisch gewin worden er de
veiligheidsvoorschriften met de voeten getreden, hetgeen in 1982 culmineerde in
een ondergrondse ramp waarbij bijna honderd slachtoffers te betreuren vielen.
Veel mensen uit deze streek zijn 20, 15 jaar geleden naar de mijnbouw in het
“Ruhr-Gebiet" in Duitsland getrokken.
We aten uitgebreid in een eethuis waar we de gerechten zelf in de keuken konden
aanwijzen. Erg goedkoop daar op het platteland. Een birrahane om een en ander
weg te spoelen was ook zo gevonden. In zo'n café komen alleen mannen. Hier
stonden ze allen naar een romantische muziekfilm op de video te kijken. Jos
hield zijn aantekeningen bij. Via de kastelein, Senol geheten, kregen we contact
met andere klanten. Na een half uurtje waren we omringd door Turkse gasten die
nieuwsgierig een praatje met ons trachtten te maken. Er werd stevig gedronken en
geouwehoerd. Ja, hier waren we echt vreemde eenden in de bijt. Om elf uur namen
we afscheid, de tap ging dicht. Buiten regende het behoorlijk. Een van de Turkse
mannen waarmee we kennis hadden gemaakt sprak een beetje Engels (hij werkte op
de plaatselijke Sociale Dienst) en begeleidde ons naar het hotel. Later kwam hij
ons een cadeautje brengen, 2 bakjes met ijs in feestpapier… Toch aardig, zo'n
geste.

Onze kamer lag op 4 hoog en kon alleen per lift bereikt worden. Boven gekomen
wilde Jos gaan lezen, maar bemerkte tot zijn ergernis dat hij zijn boek van
Günther Grass in de bus had laten liggen. Clim ging de vuile was in de badkamer
wassen. Als drooglijnen gebruikte hij lange schoenveters die we als reserve bij
ons hadden. Jos voelde zich niet helemaal patent en ging dus direct onder de
wol. Hij sliep die nacht slecht en had last van kortademigheid. Clim had een
beetje last van diarree. Gelukkig hadden we een toilet en douche bij de hand.


|